Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Het beklag
[beklaagde](hierna: beklaagde) ter zake van smaad(schrift)/laster/belediging.
Gerechtshof Amsterdam
Klager deed aangifte van smaad, laster en later ook belediging tegen beklaagde over uitingen in september 2017. De officier van justitie besloot geen strafvervolging in te stellen, waarop klager beklag indiende bij het hof.
Het hof heeft het dossier, het ambtsbericht en de toelichting van klager en beklaagde onderzocht. Beklaagde bood excuses aan voor het gebruik van het woord 'oplichter' en legde uit dat zijn uitingen gericht waren op het functioneren van klager als bestuurder, niet als persoon.
Het hof overwoog dat het strafrecht een ultimum remedium is en dat het belang van vervolging onvoldoende is, mede gelet op de tijd die verstreken is en de reeds aangeboden excuses. Het hof concludeerde dat er onvoldoende belang is om de zaak aan de strafrechter voor te leggen en wees het beklag af.
De beslissing is definitief en er staat geen rechtsmiddel open. Deze uitspraak benadrukt de bescherming van de vrije meningsuiting, vooral bij kritiek op publieke personen, en het terughoudende gebruik van strafrecht bij uitingsdelicten.
Uitkomst: Het hof wijst het beklag af vanwege onvoldoende belang om strafvervolging in te stellen.