Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.[geïntimeerde sub 1] ,
[geïntimeerde sub 2],
Gerechtshof Amsterdam
In deze civiele procedure gaat het om een verkeersongeval op 12 april 2016 tussen appellant op een bromfiets en de minderjarige [X] op een fiets. Appellant stelt [X] aansprakelijk voor de schade en vordert vergoeding. In eerste aanleg traden de ouders van [X] op als wettelijke vertegenwoordigers. Tijdens het hoger beroep werd echter vastgesteld dat [X] inmiddels meerderjarig was geworden, terwijl de dagvaarding nog steeds tegen haar ouders als wettelijke vertegenwoordigers was gericht.
Het hof stelt ambtshalve de vraag aan de orde of appellant ontvankelijk is in hoger beroep, omdat volgens vaste rechtspraak een rechtsmiddel moet worden ingesteld tegen de juiste procespartij. Omdat [X] meerderjarig is geworden en niet zelf in hoger beroep is gedagvaard, leidt dit in beginsel tot niet-ontvankelijkheid van appellant.
Partijen hebben de ontvankelijkheid niet betwist, maar het hof geeft hen de gelegenheid zich hierover uit te laten. De zaak wordt verwezen naar de rol voor verdere behandeling en iedere verdere beslissing wordt aangehouden.
Het arrest is gewezen door drie rechters en op 14 juli 2020 in het openbaar uitgesproken.
Uitkomst: Het hof houdt de beslissing aan en onderzoekt de ontvankelijkheid van appellant in hoger beroep vanwege de meerderwording van de wederpartij.