ECLI:NL:GHAMS:2020:2261
Gerechtshof Amsterdam
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep kinderalimentatie: draagkracht en behoefte na meerderjarigheid
De zaak betreft een hoger beroep inzake de vaststelling van kinderalimentatie voor een dochter die in 2020 meerderjarig werd. De man en vrouw waren gehuwd en later geregistreerd partnerschap aangegaan, dat in 2004 werd ontbonden. De alimentatie was eerder vastgesteld en geïndexeerd, maar de man verzocht om verlaging van zijn bijdrage vanaf 2017.
Het hof beoordeelde de draagkracht van beide ouders aan de hand van hun netto besteedbaar inkomen, rekening houdend met de bedrijfsresultaten van hun eenmanszaken, fiscale aftrekposten en heffingskortingen. De man had een verminderde belastbaarheid van 80% door een schouderblessure. De behoefte van de dochter werd vastgesteld op basis van wettelijke normen, rekening houdend met tegemoetkomingen en zorgtoeslag.
Het hof verklaarde het verzoek van de vrouw om een hogere bijdrage dan eerder vastgesteld niet-ontvankelijk, omdat dit niet voor het eerst in hoger beroep kan worden ingediend. De zorgkorting werd niet toegepast vanwege het ontbreken van omgang. De bijdrage werd vastgesteld op €186 per maand van oktober 2018 tot januari 2019, €194 van januari 2019 tot maart 2020, en €141 vanaf maart 2020. Het verzoek van de man tot terugbetaling van teveel betaalde bedragen werd afgewezen vanwege de financiële situatie van de vrouw en de coronacrisis.
Uitkomst: De man betaalt kinderalimentatie van €186 tot €194 per maand tot maart 2020 en €141 vanaf maart 2020, verzoek tot terugbetaling afgewezen.