ECLI:NL:GHAMS:2020:2409
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep over gezag en kinderalimentatie na beëindiging relatie ouders
In deze zaak staat het gezamenlijk gezag over de minderjarige [A] en de hoogte van de kinderalimentatie na beëindiging van de relatie tussen de ouders centraal. De rechtbank had eerder gezamenlijk gezag toegekend en kinderalimentatie vastgesteld, waartegen de man hoger beroep instelde en de vrouw incidenteel hoger beroep.
Het hof verklaart het incidenteel hoger beroep van de vrouw niet-ontvankelijk voor zover het de omgangsregeling betreft, omdat dit te laat is ingediend. De omgangsregeling zoals vastgesteld blijft voorlopig van kracht, met recente afspraken over wekelijkse omgang. Het verzoek van de man om gezamenlijk gezag wordt aangehouden omdat onvoldoende actuele informatie beschikbaar is, mede doordat de man niet is verschenen en zijn verslavingsproblematiek onduidelijk is. De raad voor de Kinderbescherming wordt verzocht onderzoek te doen naar het belang van het kind bij gezamenlijk gezag.
Ten aanzien van de kinderalimentatie stelt het hof de behoefte van het kind vast op €466 per maand (geïndexeerd 2020). De draagkracht van de man wordt berekend op basis van gemiddelde winst uit onderneming en bijstandsuitkering, resulterend in een draagkracht van €192 per maand tot 1 december 2019 en €25 daarna. De vrouw heeft een draagkracht van €63. Omdat de gezamenlijke draagkracht onvoldoende is, wordt de kinderalimentatie vastgesteld op €192 per maand vanaf 1 december 2018 en €58 vanaf 1 december 2019. Het hof bepaalt dat eventuele teveel betaalde bedragen niet hoeven te worden teruggevorderd vanwege de beperkte inkomsten van de vrouw.
Uitkomst: Kinderalimentatie vastgesteld op €192 per maand vanaf 1 december 2018 en €58 vanaf 1 december 2019; verzoek gezag aangehouden voor nader onderzoek.