Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Het geding in hoger beroep
2.Feiten
‘Door mij is geconstateerd dat u goederen en gelden heeft ontvreemd uit mijn onderneming. Op basis van deze constatering ben ik genoodzaakt uw dienstverband met onmiddellijke ingang te beëindigen.’
3.Beoordeling
(i) op de op 31 juli 2018 omstreeks 18.02 en 18.03 uur gemaakte videobeelden is te zien dat [geïntimeerde] € 90,- van een klant [A] ontvangt (waarna [geïntimeerde] aan [A] € 5,- teruggeeft) en dat bedrag rechtstreeks in zijn eigen portemonnee stopt, als ook dat nog € 40,- door [geïntimeerde] uit de kassa wordt gehaald en in zijn portemonnee wordt gestopt;
(ii) diverse klanten, waaronder [B] , hebben verklaard dat door [geïntimeerde] in de periode 30 juli 2018 tot en met 14 augustus 2018 gevraagd werd contant te betalen, en dat hun betreffende aankopen niet op de kassa werden aangeslagen; die contante betalingen zijn niet, dan wel lang niet allemaal via kassabonnen verantwoord;
(iii) in de kassa zat bij terugkeer van [appellant] na zijn vakantie maar € 20,- terwijl dat veel meer had moeten zijn.
‘Het feit dat [geïntimeerde] inmiddels ander werk heeft, rechtvaardigt evenmin de conclusie dat volledige toewijzing van de loonvordering onaanvaardbare gevolgen heeft.’Het hof oordeelt als volgt. [appellant] vermeldt niet expliciet tot hoever de loonvordering gematigd had moeten worden; in eerste aanleg heeft hij matiging tot drie maandsalarissen genoemd, zodat het hof er van uit gaat dat hij dit in hoger beroep ook bedoelt te stellen. [geïntimeerde] heeft erkend dat hij met [appellant] op 16 augustus 2018 heeft gesproken over beëindiging van het dienstverband. Naar zeggen van [geïntimeerde] zijn zij niet tot overeenstemming gekomen omdat [geïntimeerde] op korte afstand van het filiaal van [appellant] een eigen met die van [appellant] concurrerende onderneming wilde starten. Het hof leidt hier uit af dat zonder het onterecht gegeven ontslag de arbeidsrelatie tussen partijen naar verwachting niet lang meer zou hebben voortgeduurd. [geïntimeerde] heeft naar eigen zeggen na het ontslag in de loop van de maand december 2018 elders werk gevonden , tegen een iets lager salaris dan bij [appellant] . Voor het beroep door [appellant] op de onaanvaardbare gevolgen van volledige loondoorbetaling tot 1 april 2019 acht het hof voorts van belang dat [geïntimeerde] blijkens zijn op 28 december 2018 ingediende verweerschrift op het door [appellant] ingediende (voorwaardelijk) verzoek tot ontbinding te kennen gaf terugkeer naar [appellant] ‘niet meer te (zien) zitten’. Tenslotte acht het hof voor beoordeling van het verzoek tot matiging van de loonvordering van belang de aan [geïntimeerde] toe te schrijven rol bij het tussen partijen ontstane conflict, in het bijzonder het aan [geïntimeerde] hierbij te maken forse verwijt. [geïntimeerde] heeft tijdens de afwezigheid van [appellant] op onzorgvuldige wijze de aan hem toevertrouwde administratie beheerd en heeft aan hem toekomend achterstallig salaris uit de kassa gehaald zonder hierover een duidelijke verantwoording af te (kunnen) leggen. en zelfs af te kunnen leggen en hij heeft hij geen duidelijke verklaring afgegeven over de vermindering in de winkel van een aantal Motorola-telefoontoestellen. Deze omstandigheden bij elkaar genomen maken dat het hof toekenning van het volledige loon tot 1 april 2019 onaanvaardbaar acht. Om die reden zal de loonvordering worden gematigd (van 16 augustus 2018) tot 1 januari 2019. In zoverre slaagt grief 8 gedeeltelijk. De wettelijke verhoging blijft beperkt tot 10%. De wettelijke rente blijft verschuldigd vanaf de dag van opeisbaarheid van iedere loonbetaling.