De GI verweert zich als volgt.
In de eerste levensjaren van [de minderjarige] was de moeder veelal fysiek en emotioneel niet beschikbaar voor [de minderjarige] , als gevolg waarvan hij veel bij de grootouders verbleef. Hierover, alsmede over de opvoeding van [de minderjarige] , bestond strijd tussen de moeder en de grootouders. Nadat duidelijk werd dat [de minderjarige] , wanneer hij bij de moeder verblijft, veel van school verzuimt en omdat de strijd tussen de grootouders en de moeder onverminderd voortduurde, is [de minderjarige] uithuisgeplaatst bij de grootouders. Er zijn geen duidelijke afspraken over de vraag wanneer [de minderjarige] bij de moeder verblijft. Zelf geeft [de minderjarige] aan de voorkeur te geven aan geen afspraken hieromtrent, zodat hij zelf tussen de grootouders en de moeder kan laveren. Dit heeft hij tegen wil en dank moeten leren, omdat de strijd tussen de grootouders en de moeder niet tot een einde lijkt te kunnen komen. Hij bepaalt inmiddels zelf wanneer hij bij wie is.
Nadat [de minderjarige] in de zomervakantie van 2019 tien weken geen contact had gehad met de moeder, voelde hij zich schuldig en heeft hij twee weken bij de moeder verbleven. In deze twee weken heeft [de minderjarige] aangegeven nieuwsgierig te zijn naar hoe het wonen bij zijn moeder zou zijn. Omdat de GI zag dat de moeder in staat is om [de minderjarige] een veilige en stabiele opvoedsituatie te bieden, had de GI vertrouwen erin dat dit met hulpverlening haalbaar zou zijn. Kort nadat de GI het verzoek tot het niet verlengen van de uithuisplaatsing bij de raad had ingediend, vertelde [de minderjarige] echter dat hij alleen bij de moeder verbleef uit schuldgevoel dat hij haar die zomer tien weken niet had gezien. Omdat [de minderjarige] vastbesloten is in deze keus en omdat hij als vijftienjarige moeilijk kan worden gedwongen, heeft de GI alsnog om verlenging van de uithuisplaatsing verzocht.
[de minderjarige] zet zich steeds meer af tegen zijn (opvoed)omgeving. Dit lijkt voort te komen uit zijn loyaliteitsproblematiek. [de minderjarige] wil alle volwassenen om hem heen tevreden houden. Tegelijkertijd trekken alle volwassenen aan hem. Om [de minderjarige] in staat te stellen hiermee op een goede manier om te gaan, staat hij op de wachtlijst van de Kindbehartigers. Gelet op de jarenlange strijd tussen de moeder en de pleegmoeder, zal de GI daarvoor geen hulpverlening meer inzetten. De moeder en de pleegmoeder dienen zakelijk met elkaar om te gaan. Er dienen vaste afspraken te worden gemaakt waaraan iedereen zich in het belang van [de minderjarige] houdt. De ruimte die [de minderjarige] thans krijgt, is niet goed voor hem. Hij heeft behoefte aan duidelijkheid en structuur. Wanneer zijn perspectief duidelijk is, zal hem dat rust geven.
De GI is van mening dat de grootouders beter in staat zijn [de minderjarige] grenzen en structuur te bieden dan de moeder. Voorts is de GI van mening dat de moeder verder gaat in het diskwalificeren van de grootouders dan andersom en dat de grootouders beter in staat zijn om de omgang met de moeder vanuit hen te continueren dan andersom.
Het is niet juist dat de grootouders [de minderjarige] omkopen en hem de pleegzorgvergoeding geven. Wel is juist dat [de minderjarige] over relatief veel geld beschikt omdat de grootouders zich dat kunnen veroorloven. Ook is juist dat [de minderjarige] in het drugsmilieu actief is geweest, maar dat is nu niet meer het geval. Toen hij in mei 2020 via sociale media werd bedreigd, is hierop door de moeder, de GI, de politie en de grootouders adequaat gereageerd en zijn met [de minderjarige] afspraken gemaakt om dit in het vervolg te voorkomen.
Concluderend dient, gelet op de lange periode dat [de minderjarige] (feitelijk) bij de grootouders woont, dit in zijn belang te worden bestendigd, aldus de GI.