ECLI:NL:GHAMS:2020:2731
Gerechtshof Amsterdam
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijk verklaring hoger beroep gezagskwestie na meerderjarigheid kind
Partijen zijn voormalig gehuwd en hebben een kind, [X], geboren in 2002 in de Verenigde Staten. Na hun echtscheiding in 2014 kreeg de man het eenhoofdig gezag over [X], met omgangsrecht voor de vrouw. In 2016 kende een Amerikaanse rechtbank tijdelijke alleenheerschappij toe aan de vrouw. Het kind woonde sinds 2012 bij de man in Nederland en later in de VS en Turkije.
De vrouw kwam in hoger beroep tegen een beschikking waarin zij deels niet-ontvankelijk werd verklaard en haar verzoeken werden afgewezen. De man stelde zich op het standpunt dat het hoger beroep zinloos was nu het kind op 18-jarige leeftijd meerderjarig was geworden, waardoor het gezag van rechtswege eindigde.
Het hof overwoog dat het belang van de vrouw in de procedure was komen te vervallen omdat het kind meerderjarig was en het gezag daarmee automatisch eindigde. Verzoeken tot gezag, omgang en afgifte van reisdocumenten waren daardoor niet meer toewijsbaar. Ook het verzoek tot een kinderbeschermingsonderzoek werd afgewezen. Het incidenteel hoger beroep van de man werd eveneens afgewezen omdat de verzoeken niet in deze procedure thuishoorden.
Het hof verklaarde het hoger beroep van de vrouw niet-ontvankelijk, bekrachtigde de bestreden beschikking voor zover van toepassing, wees overige verzoeken af en bepaalde dat partijen ieder hun eigen kosten dragen.
Uitkomst: Het hoger beroep van de vrouw wordt niet-ontvankelijk verklaard vanwege de meerderjarigheid van het kind; het incidenteel hoger beroep van de man wordt afgewezen en partijen dragen ieder hun eigen kosten.