ECLI:NL:GHAMS:2020:2798

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
6 oktober 2020
Publicatiedatum
26 oktober 2020
Zaaknummer
000463-20
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Raadkamer
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 530 SvArt. 533 SvArt. 534 SvArt. 9a Sr
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing schadevergoeding voor onwaarachtige verklaringen tijdens voorlopige hechtenis

Verzoeker heeft een schadevergoeding gevraagd wegens de ondergane inverzekeringstelling en voorlopige hechtenis in een strafzaak, alsmede een vergoeding voor kosten rechtsbijstand. Het hof overweegt dat verzoeker tijdens het opsporingsonderzoek herhaaldelijk onwaarachtige verklaringen heeft afgelegd, waaronder ontkenning van het kennen van het slachtoffer en het aanwezig zijn op diens boot, terwijl het onderzoek het tegendeel aantoonde.

Door deze onwaarheden heeft verzoeker de verdenking tegen zichzelf versterkt, wat mede heeft geleid tot de voorlopige hechtenis. Het hof acht daarom geen gronden van billijkheid aanwezig om de gevraagde schadevergoeding toe te kennen. Wel wordt een vergoeding van €550 toegekend voor de kosten van rechtsbijstand in de procedure.

Daarnaast wordt het toegekende bedrag verrekend met openstaande geldsommen die verzoeker aan de Staat verschuldigd is. De beschikking is uitgesproken door de meervoudige raadkamer van het gerechtshof Amsterdam op 6 oktober 2020.

Uitkomst: Het hof wijst het verzoek tot schadevergoeding af, kent €550 aan proceskosten toe en bepaalt verrekening met openstaande geldsommen.

Uitspraak

beschikking
GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling strafrecht
rekestnummer(s): 000462-20 (530 Sv) en 00046320 (533 Sv)
parketnummer in hoger beroep: 23-001245-18
Beschikking op het verzoekschrift op de voet van artikel 530 en Pro 533 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:
[verzoeker] ,
geboren te [geboorteplaats] (Afganistan) op [geboortedag] 1972,
domicilie kiezende ten kantore van zijn advocaat, mr. M.C. Jonge Vos,
[adres] .

1.Procesverloop

Het verzoekschrift is op 22 mei 2020 ingekomen.
Op 2 juli 2020 heeft de advocaat-generaal het standpunt van het Openbaar Ministerie kenbaar gemaakt.
Het hof heeft kennis genomen van de stukken in de strafzaak met voormeld parketnummer en heeft op 22 september 2020 de advocaat-generaal en de advocaat van verzoeker ter gelegenheid van de openbare behandeling van het verzoekschrift in raadkamer gehoord. Verzoeker is niet in raadkamerzitting verschenen.

2. Inhoud van het verzoek

Het verzoek strekt tot het verkrijgen van een vergoeding ter zake van:
schade die verzoeker stelt te hebben geleden als gevolg van de ondergane verzekering en voorlopige hechtenis in de strafzaak met voormeld parketnummer ten bedrage van € 70.715,00;
kosten gemaakt in verband met rechtsbijstand ten behoeve van onderhavige verzoekschriftprocedure ten bedrage van € 550,00.

3.Beoordeling van het verzoek

Bij arrest van dit hof van 12 maart 2020 is de strafzaak met voormeld parketnummer geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht (Sr).
Het verzoekschrift is tijdig ter griffie van dit hof ingediend.
Ingevolge het bepaalde in artikel 534, eerste lid, Sv heeft de toekenning van een schadevergoeding steeds plaats, indien en voor zover daartoe naar het oordeel van de rechter, alle omstandigheden in aanmerking genomen, gronden van billijkheid aanwezig zijn.
Ten aanzien van het verzoek op de voet van artikel 533 Sv Pro
Verzoeker is op 10 december 2012 in verzekering gesteld. Vervolgens is op 13 december 2012 de voorlopige hechtenis van appellant bevolen. Verzoeker is op 2 oktober 2013 in vrijheid gesteld.
De advocaat-generaal heeft geoordeeld dat gronden van billijkheid aanwezig zijn de toewijzing van het verzoek te matigen daar verzoeker de inverzekeringstelling en de voorlopige hechtenis deels aan zijn eigen houding te wijten heeft. Verzoeker heeft immers eerst in strijd met de waarheid verklaard het slachtoffer [slachtoffer] niet te kennen, op de dag van diens overlijden niet samen met hem te zijn geweest of op diens boot, waar het slachtoffer levensloos is aangetroffen, te zijn geweest. Voorts heeft verzoeker op meerdere momenten ervoor gekozen gebruik te maken van zijn zwijgrecht dan wel ontwijkend te verklaren.
De advocaat van verzoeker heeft toewijzing van het verzochte bepleit. Niet wordt betwist dat verzoeker onwaarachtig heeft verklaard. Wel is het de vraag of überhaupt een misdrijf heeft plaatsgevonden.
Het hof overweegt als volgt.
Verzoeker heeft bij herhaling verklaard het slachtoffer niet te kennen en ook nimmer op diens boot te zijn geweest. Uit het opsporingsonderzoek is naar voren gekomen dat verzoeker en het slachtoffer op de dag van diens overlijden samen zijn geweest. Verzoeker heeft ook regelmatig verbleven op de boot van het slachtoffer. Ook is gebleken dat het slachtoffer en verzoeker kort voor het overlijden van het slachtoffer telefonisch contact hebben gehad met de moeder van het slachtoffer. Daarnaast zijn DNA-sporen van verzoeker aangetroffen op de kleding en op het deels ontblote lichaam van het levenloos op diens boot aangetroffen slachtoffer.
Verzoeker heeft door tegenover de politie in strijd met de waarheid bij herhaling te verklaren dat hij het slachtoffer niet kende en ook nimmer op diens boot te zijn geweest sterke voeding gegeven aan het ontstaan van de op grond van het opsporingsonderzoek jegens hem ontstane verdenking betrokken te zijn geweest bij het overlijden van het slachtoffer. Verzoeker, indringend geconfronteerd met de bevindingen van het opsporingsonderzoek, heeft naderhand toegegeven het slachtoffer te kennen en ook op diens boot te zijn geweest, maar die verklaring heeft in het licht van zijn eerdere ontkenningen de jegens hem gerezen verdenking niet ontzenuwd.
Het hof is mitsdien van oordeel dat geen gronden van billijkheid aanwezig zijn om de verzochte vergoeding toe te kennen.
Ten aanzien van het verzoek op de voet van artikel 530 Sv Pro
Gronden van billijkheid zijn aanwezig voor toekenning van een vergoeding ter zake van kosten rechtsbijstand in de onderhavige verzoekschriftprocedure tot een bedrag van € 550,00.
Verrekenen
Uit de inhoud van het dossier en het verhandelde in raadkamer is gebleken dat de onderstaande geldsommen vatbaar zijn voor verrekening overeenkomstig artikel 534, lid 3 Sv. Het hof zal het toegekende bedrag verrekenen met de door verzoeker aan de Staat verschuldigde geldsommen.

4.Beslissing

Het hof :
Kent op de voet van artikel 530 Sv Pro aan verzoeker een vergoeding toe van € 550,00 (vijfhonderdvijftig euro).
Bepaalt de verrekening van bovenstaand bedrag met de onderstaande geldsom:
CJIB-nummer openstaand bedrag verrekening
[nummer 1] € 164,00 € 164,00
[nummer 2] € 142,00 € 142,00
[nummer 3] € 157,00 € 157,00
Wijst het anders of meer verzochte af.
Beveelt de onverwijlde betekening van deze beschikking aan verzoeker.
Deze beschikking is gegeven door de meervoudige raadkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mrs. R.D. van Heffen, M.M.H.P. Houben en M. van der Horst, in tegenwoordigheid van mr. P.M. Groenenberg als griffier, is ondertekend door de voorzitter en de griffier en is uitgesproken op de openbare zitting van dit hof van 6 oktober 2020.
De voorzitter beveelt:
de tenuitvoerlegging van deze beschikking door overmaking van:
- € 164,00 op bankrekeningnummer [rekeningnummer 1] t.n.v. CJIB o.v.v. [nummer 1] ;
- € 142,00 op bankrekeningnummer [rekeningnummer 2] t.n.v. CJIB o.v.v. [nummer 2] ;
- € 157,00 op bankrekeningnummer [rekeningnummer 2] t.n.v. CJIB o.v.v. [nummer 3] ;
- € 87,00 op bankrekeningnummer [rekeningnummer 3] 74 t.n.v. [tnv] o.v.v. [ovv] .
Amsterdam, 6 oktober 2020.
mr. R.D. van Heffen, voorzitter.