ECLI:NL:GHAMS:2020:2830
Gerechtshof Amsterdam
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Beëindiging alimentatieplicht wegens samenwonen als gehuwd volgens artikel 1:160 BW
In deze civiele zaak heeft het Gerechtshof Amsterdam geoordeeld over de vraag of de vrouw geslaagd is in het leveren van tegenbewijs tegen de stelling van de man dat zij samenwoonde met haar partner als waren zij gehuwd, wat de alimentatieplicht van de man beëindigt volgens artikel 1:160 BW Pro.
Het hof heeft getuigen gehoord, waaronder de vrouw zelf, haar partner en een vriendin, en diverse schriftelijke stukken bestudeerd. De verklaringen van de vrouw en haar partner vertoonden tegenstrijdigheden en werden door het hof als weinig geloofwaardig beoordeeld. De schriftelijke stukken betroffen grotendeels perioden na de relevante tijd en bevestigden in belangrijke mate het vermoeden van wederzijdse verzorging en het voeren van een gemeenschappelijke huishouding.
Het hof concludeerde dat de vrouw onvoldoende tegenbewijs heeft geleverd om het vermoeden te ontzenuwen. Daarmee is vastgesteld dat vanaf 6 december 2018 sprake was van samenwoning als gehuwd, waardoor de alimentatieplicht van de man vanaf die datum is geëindigd. Tevens veroordeelde het hof de vrouw tot terugbetaling van onverschuldigde alimentatie en de kosten van het recherchebureau, alsmede de proceskosten van het hoger beroep.
Uitkomst: De alimentatieplicht van de man is geëindigd per 6 december 2018 wegens samenwoning van de vrouw met haar partner als waren zij gehuwd, en de vrouw is veroordeeld tot terugbetaling van onverschuldigde alimentatie en vergoeding van onderzoekskosten.