In deze civiele zaak staat de aansprakelijkheid centraal voor een brand die in 2013 ontstond in een woning waar een rookgasafvoerkanaal (RAK) was aangelegd door twee opvolgende aannemers. De eerste aannemer [X] installeerde het casco RAK, dat niet voldeed aan de veiligheidsvoorschriften, met name door het ontbreken van een omkokering en onvoldoende afstand tot brandbare materialen. De afbouwer [appellant] maakte het kanaal af en legde een plankenvloer op slechts circa 2 cm afstand van het RAK.
Deskundigen concludeerden unaniem dat de brand op twee plaatsen ontstond door pyrolyse, veroorzaakt door de te geringe afstand tussen het RAK en brandbare delen, en het niet voldoen aan de NEN 6062 norm. Het hof oordeelde dat de afbouwer een zorgplicht had om zich te vergewissen van de deugdelijkheid van het reeds aangebrachte deel en om te waarschuwen of corrigerende maatregelen te treffen. Dit is niet gebeurd, waardoor hij aansprakelijk is voor de schade.
Het hof verwierp bezwaren van [appellant] over onvoldoende onderzoek naar alternatieve brandoorzaken, zijn beperkte zorgplicht en rechtsverwerking door oplevering. Ook de betwisting van de schadeposten en wettelijke rente faalden. De hoofdelijkheid van aansprakelijkheid tussen de aannemers werd bevestigd en het vonnis van de rechtbank werd bekrachtigd, met veroordeling van [appellant] in de proceskosten.