ECLI:NL:GHAMS:2020:2935

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
3 november 2020
Publicatiedatum
4 november 2020
Zaaknummer
200.261.847/01
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 10 lid 5 Algemene Voorwaarden WoonruimteOpiumwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bekrachtiging ontbinding en ontruiming huurovereenkomst wegens handel in harddrugs

De huurder [appellant] huurt sinds 2011 een woning van Eigen Haard en is aangehouden wegens handel in harddrugs in die woning. De politie trof cocaïne en weegschalen aan, en een koper verklaarde drugs in de woning te hebben gekocht en gebruikt.

Eigen Haard vorderde ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van de woning wegens schending van de huurovereenkomst, omdat de huurder verboden activiteiten verrichtte. De kantonrechter wees deze vordering toe en veroordeelde de huurder in de proceskosten.

In hoger beroep betwistte de huurder de toewijzing, maar het hof stelde vast dat de feiten niet waren betwist en dat de handel in harddrugs een ernstige tekortkoming vormt die ontbinding rechtvaardigt. Het hof oordeelde dat de belangen van omwonenden en de verhuurder zwaarder wegen dan de persoonlijke omstandigheden van de huurder.

Het hof bekrachtigde het vonnis van de kantonrechter en veroordeelde de huurder in de kosten van het hoger beroep. De ontbinding en ontruiming blijven daarmee in stand.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt de ontbinding en ontruiming van de woning wegens handel in harddrugs.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I
zaaknummer : 200.261.847/01
zaaknummer rechtbank Amsterdam : 7443483 CV EXPL 19-283
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 3 november 2020
inzake
[appellant],
wonend te [woonplaats] ,
appellant,
advocaat: mr. W.H. Boomstra te Amsterdam,
tegen
WONINGSTICHTING EIGEN HAARD,
gevestigd te Amsterdam,
geïntimeerde,
advocaat: mr. M.G. Blokziel te Almere.

1.Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna wederom [appellant] en Eigen Haard genoemd.
In dit geding is op 25 februari 2020 een tussenarrest gewezen. Voor de loop van het geding tot die datum wordt naar dat tussenarrest verwezen.
Eigen Haard heeft na het wijzen van het tussenarrest nog een memorie van antwoord genomen.
Ten slotte is arrest gevraagd.
[appellant] heeft geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en - uitvoerbaar bij voorraad - alsnog de vordering van Eigen Haard zal afwijzen, met veroordeling van Eigen Haard in de kosten van het geding in beide instanties, met nakosten.
Eigen Haard heeft geconcludeerd tot bekrachtiging van het bestreden vonnis, met - uitvoerbaar bij voorraad - veroordeling van [appellant] in de kosten van, naar het hof begrijpt, het geding in hoger beroep, met nakosten en rente.
[appellant] heeft in hoger beroep bewijs van zijn stellingen aangeboden.
2. Feiten
De kantonrechter heeft in het bestreden vonnis onder 1.1 tot en met 1.7 de feiten vastgesteld die zij tot uitgangspunt heeft genomen. Deze feiten zijn in hoger beroep niet in geschil en dienen derhalve ook het hof als uitgangspunt. Samengevat en waar nodig aangevuld met andere feiten die als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende betwist zijn komen vast te staan, komen de feiten neer op het volgende.
2.1
[appellant] huurt sinds 1 januari 2011 van Eigen Haard de woning aan de [adres] . In de huurovereenkomst zijn van toepassing verklaard de
‘bijgevoegde Algemene Voorwaarden Woonruimte van 1 oktober 2008’(hierna: de algemene voorwaarden). Artikel 10 lid 5 van Pro de algemene voorwaarden luidt, voor zover van belang, als volgt:
‘De huurder kweekt geen hennep en verricht ook geen andere activiteiten die op grond van de (Opium)wet strafbaar zijn.’
2.2
[appellant] is op 12 september 2018 aangehouden door de politie. De politie heeft in een proces-verbaal, gedateerd 8 oktober 2018, (onder meer) het volgende opgenomen:
‘Collega’s hebben een actie gehouden daar er een zeer sterk vermoeden was dat er vanuit de woning gehandeld zou worden in hard drug. Er is een koper (…) aangehouden die verklaarde dat hij hard drug in de woning had gekocht en ook had gebruikt. De hoofdbewoner ( [appellant] ) is aangehouden en er is een zoeking gedaan. Hierbij is hard drug aangetroffen evenals goederen die nodig zijn op de hard drug te verkopen zoals weegschaaltjes.
(…)
Uit het onderzoek van het laboratorium bleek het volgende:
6 papiertjes met 1,51 g wit poeder en brokjes, bevat cocaïne
2 plastic zakjes met 13,0 g vuilwit poeder en brokjes, bevat cocaïne
1 plastic potje waarin 7 plastic bolletjes met 0,81 g witte brokjes, bevat cocaïne’

3.Beoordeling

3.1
Eigen Haard heeft in eerste aanleg onder meer gevorderd de huurovereenkomst te ontbinden en [appellant] te veroordelen de woning te ontruimen. Zij voerde daartoe onder meer aan dat in de woning harddrugs werden verhandeld, dat het handelen in strijd met de Opiumwet een tekortkoming van [appellant] in de nakoming van de huurovereenkomst oplevert en dat een en ander de gevorderde ontruiming en ontbinding rechtvaardigt.
3.2
De kantonrechter heeft de gevorderde ontbinding en ontruiming toegewezen en [appellant] in de proceskosten veroordeeld. Zij heeft daartoe overwogen dat [appellant] niet dan wel onvoldoende heeft betwist dat sprake is van een tekortkoming. Eigen Haard heeft op grond van die tekortkoming de bevoegdheid de huurovereenkomst te ontbinden, aldus de kantonrechter, tenzij de tekortkoming de ontbinding en de gevolgen daarvan niet rechtvaardigt. Dat laatste is niet het geval, zo concludeert de kantonrechter.
3.3
De kantonrechter heeft de overige vorderingen van Eigen Haard, waaronder het opleggen van een contractuele boete, afgewezen. Deze vorderingen zijn in dit hoger beroep niet meer aan de orde.
3.4
De grieven van [appellant] zijn gericht tegen de toewijzing van de vordering tot ontbinding en ontruiming van de woning en tegen de motivering van die beslissing. De grieven falen op grond van het volgende.
3.5
Uit het proces-verbaal van politie blijkt dat in de woning van [appellant] cocaïne is aangetroffen in een hoeveelheid die duidt op handel daarin. Ook de diverse verpakkingen en de aanwezigheid van weegschaaltjes zijn sterke aanwijzingen dat in de woning werd gedeald. Tezamen met de verklaring van de koper is met voldoende zekerheid te concluderen dat in de woning cocaïne werd verhandeld en dat dit middel in de woning werd geleverd aan gebruikers.
3.6
[appellant] voert aan dat het proces-verbaal niet voldoende bewijst dat hij de huurovereenkomst niet is nagekomen. Hij heeft echter niet gezegd dat het proces-verbaal onwaarheden bevat. Hij heeft over de verklaring van de koper aangevoerd dat uit de stukken nergens blijkt van deze verklaring. Het hof stelt vast dat dit niet juist is, deze verklaring wordt immers genoemd in het proces-verbaal. Het hof gaat dan ook ervan uit dat daadwerkelijk cocaïne en weegschalen zijn aangetroffen in de woning en dat de aangehouden koper daadwerkelijk heeft verklaard dat hij in de woning cocaïne heeft gekocht en gebruikt. [appellant] heeft geen uitleg gegeven van deze vaststaande feiten. Het hof gaat wegens het ontbreken van die uitleg dan ook ervan uit dat hij betrokken is geweest bij de handel in cocaïne. Deze handel vond immers in zijn woning plaats.
3.7
Dat [appellant] naar aanleiding van de constateringen van de politie nog niet is veroordeeld voor enig strafbaar feit, zoals hij aanvoert, is niet van belang. Dat is immers niet vereist voor het vaststellen van de feiten in een civiele procedure.
3.8
Het hof volgt daarom de kantonrechter in haar conclusie dat [appellant] heeft gehandeld in strijd met de Opiumwet en dat hij dus, gelet op artikel 10 lid 5 van Pro de algemene voorwaarden, de huurovereenkomst niet is nagekomen. [appellant] heeft overigens niet betwist dat de algemene voorwaarden van toepassing zijn en het hof ziet in de stukken geen aanleiding om tot een andere conclusie te komen.
3.9
Het hof deelt ook de conclusie van de kantonrechter dat geen sprake is van een geval waarin de tekortkoming de ontbinding niet rechtvaardigt. Het is immers van algemene bekendheid dat de handel in harddrugs grote risico’s in zich houdt op overlast en gevaar voor omwonenden, terechte gevoelens van onveiligheid bij die omwonenden oproept en aldus de leefbaarheid in de woonomgeving ernstig aantast.
3.1
[appellant] wijst nog erop dat hij sinds 1999 een woning huurt van Eigen Haard, dat hij zich altijd - op overlastmeldingen in 2009 na - als een goed huurder heeft gedragen, dat hij 57 jaar is en dat hij door de ontbinding en ontruiming dakloos zal worden. Eigen Haard als sociale verhuurder zou hem meer kansen moeten geven, aldus [appellant] . Het hof ziet hierin onvoldoende aanleiding anders te beslissen. De gevolgen van ontbinding en ontruiming zijn voor [appellant] weliswaar ernstig maar dat neemt niet weg dat Eigen Haard er een groot belang bij heeft de omwonenden de risico’s van overlast en onveiligheid te besparen. Gelet op de eerdere ontbinding van zijn huurovereenkomst wegens overlast, wist [appellant] bovendien of had minst genomen moeten weten dat zijn handelen deze gevolgen zou kunnen hebben. Hij had daarmee rekening kunnen houden maar heeft dat niet gedaan.
3.11
[appellant] heeft geen bewijs aangeboden van concrete feiten die tot andere beslissingen zouden kunnen leiden.
3.12
Het hof is het dus eens met de beslissingen van de kantonrechter. Het vonnis zal dan ook worden bekrachtigd. [appellant] zal als verliezende partij in de kosten van het hoger beroep worden veroordeeld.

4.Beslissing

Het hof:
bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;
veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van Eigen Haard begroot op € 741,- aan verschotten en € 2.148,- voor salaris en op € 157,- voor nasalaris, te vermeerderen met € 82,- voor nasalaris en de kosten van het betekeningsexploot ingeval betekening van dit arrest plaatsvindt, te vermeerderen met de wettelijke rente, indien niet binnen veertien dagen na dit arrest dan wel het verschuldigd worden van de nakosten aan de kostenveroordeling is voldaan;
verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit arrest is gewezen door mrs. E.M. Polak, D. Kingma en N.J. Huurdeman en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 3 november 2020.