Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Het geding in hoger beroep
2.Feiten
3.Beoordeling
Grief II faalt.
Gerechtshof Amsterdam
In deze civiele zaak vorderde appellant betaling van een geldlening van €500.000, vermeerderd met rente en kosten, gebaseerd op twee promessen die door geïntimeerde waren ondertekend. De promessen bevatten afspraken over terugbetaling en rente, maar waren met de hand geschreven door een derde en boden geen dwingend bewijs.
Appellant stelde dat het bedrag deels contant en deels via een bank was verstrekt, maar kon dit niet met schriftelijk bewijs onderbouwen. Diverse WhatsApp-berichten en verklaringen van familieleden boden onvoldoende concrete informatie over de feitelijke verstrekking van de gelden.
Geïntimeerde betwistte ontvangst van het bedrag en stelde dat hij de promessen onder dwang had getekend. Het hof oordeelde dat appellant onvoldoende feiten en omstandigheden had gesteld om de verstrekking van de lening aannemelijk te maken.
Daarom werd het bestreden vonnis van de rechtbank bekrachtigd, waarbij de vordering werd afgewezen en appellant werd veroordeeld in de kosten van het geding in hoger beroep.
Uitkomst: De vordering tot betaling van €500.000 wegens geldlening wordt afgewezen wegens onvoldoende bewijs van verstrekking.