ECLI:NL:GHAMS:2020:3057
Gerechtshof Amsterdam
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Bevoegdheid Nederlandse rechter en rechtmatigheid ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing minderjarige kinderen
De moeder is in hoger beroep gekomen tegen de beschikking van de kinderrechter waarbij haar twee minderjarige kinderen onder toezicht zijn gesteld en uit huis geplaatst. Het hof heeft eerst de bevoegdheid van de Nederlandse rechter beoordeeld en geoordeeld dat de kinderen hun gewone verblijfplaats in Nederland hadden op het moment van aanhangigmaking van de zaak, waardoor de Nederlandse rechter bevoegd is.
Vervolgens heeft het hof de rechtmatigheid van de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing onderzocht. De moeder betwistte de gronden en stelde dat de kinderen vrijwillig bij haar verbleven en dat de gecertificeerde instelling onterecht was benoemd. De raad en de gecertificeerde instelling voerden aan dat de kinderen in een zorgelijke situatie waren aangetroffen, de moeder geen vaste woonplek heeft en onvoldoende meewerkt aan hulpverlening.
Het hof concludeerde dat er sprake is van een ernstige bedreiging van de ontwikkeling van de kinderen, mede door de belaste voorgeschiedenis van de moeder en het zwervend bestaan van de kinderen. De uithuisplaatsing was noodzakelijk in het belang van de verzorging en opvoeding. De verzoeken van de moeder tot vernietiging van de beschikking en voorlopige voorzieningen werden afgewezen. De beschikking van de kinderrechter is bekrachtigd.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt de beschikking tot ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing van de kinderen en wijst de verzoeken van de moeder af.