ECLI:NL:GHAMS:2020:3153
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Verdachte niet-ontvankelijk in hoger beroep wegens intrekking
In deze strafzaak stelde de verdachte hoger beroep in tegen het vonnis van de politierechter van 22 juni 2020. Op 23 oktober 2020 diende de verdachte een akte in waarin het hoger beroep werd ingetrokken. Omdat het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep al was aangevangen, was intrekking niet meer mogelijk.
Het hof nam kennis van de vordering van de advocaat-generaal om de verdachte niet-ontvankelijk te verklaren op grond van artikel 416, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering. Uit de intrekkingsakte bleek dat de verdachte haar oorspronkelijke bezwaren tegen het vonnis niet langer wenste te handhaven.
Het gerechtshof oordeelde dat er geen rechtens te respecteren belang was bij voortzetting van het onderzoek en verklaarde de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep. De uitspraak werd gedaan door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam op 28 oktober 2020.
Uitkomst: Verdachte is niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep wegens intrekking na aanvang van het onderzoek ter terechtzitting.