ECLI:NL:GHAMS:2020:3193

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
10 november 2020
Publicatiedatum
25 november 2020
Zaaknummer
23-004201-17
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 416 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verdachte niet-ontvankelijk verklaard in hoger beroep strafzaak

In deze strafzaak heeft het gerechtshof Amsterdam op 10 november 2020 uitspraak gedaan over het hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 23 november 2017. De verdachte was vertegenwoordigd door een raadsvrouw die aanvankelijk bezwaren tegen het vonnis had opgegeven tijdens de eerste zitting op 19 juli 2019.

Echter heeft de raadsvrouw bij e-mail van 6 november 2020 namens de verdachte laten weten dat hij zijn oorspronkelijke bezwaren niet langer wenst te handhaven. Het hof heeft vervolgens vastgesteld dat er geen rechtens te respecteren belang meer bestaat bij het voortzetten van het hoger beroep.

Op grond van artikel 416, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering heeft het hof de verdachte daarom niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep. De uitspraak is gedaan door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarbij één rechter wegens omstandigheden niet heeft meegetekend.

Uitkomst: Verdachte is niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep wegens het niet langer handhaven van bezwaren.

Uitspraak

afdeling strafrecht
parketnummer: 23-004201-17
datum uitspraak: 10 november 2020
TEGENSPRAAK (gemachtigd raadsvrouw, na aanhouding niet verschenen)
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 23 november 2017 in de strafzaak onder parketnummer 15-037257-16 tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1995,
adres: [adres].

Onderzoek ter terechtzitting

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van
10 november 2020.
Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld.
Het hof heeft kennisgenomen van het bij e-mail van 6 november 2020 aan het hof toegezonden standpunt van de raadsvrouw van de verdachte, strekkend tot niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in het hoger beroep op de voet van artikel 416, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv), en de dienovereenkomstige vordering van de advocaat-generaal.

Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep is aangevangen op 19 juli 2019. De raadsvrouw heeft toen namens de verdachte bezwaren tegen het vonnis opgegeven. Bij genoemde e-mail heeft de raadsvrouw namens de verdachte te kennen gegeven dat hij zijn oorspronkelijke bezwaren tegen het vonnis niet langer wenst te handhaven. Naar aanleiding daarvan en nu het hof ook overigens niet is gebleken van enig rechtens te respecteren belang dat is gediend met enig onderzoek van de zaak, zal de verdachte niet-ontvankelijk worden verklaard in het ingestelde hoger beroep, gelet op het bepaalde in artikel 416, tweede lid, Sv.

BESLISSING

Het hof:
Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. H.M.J. Quaedvlieg, mr. D. Radder en mr. M.L.M. van der Voet, in tegenwoordigheid van
mr. S. Bonset, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van
10 november 2020.
mr. H.M.J. Quaedvlieg is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.