ECLI:NL:GHAMS:2020:3253

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
20 november 2020
Publicatiedatum
4 december 2020
Zaaknummer
23-003157-18
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 422 Sv
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak verdachte mishandeling na onvoldoende bewijs

Op 8 juni 2018 werd verdachte beschuldigd van het mishandelen van de benadeelde door hem tweemaal of eenmaal in de buik te stompen in een kleedkamer van een turnzaal te Purmerend. De benadeelde verklaarde dat de verdachte hem had gestompt, terwijl verdachte dit ontkende en een alternatieve verklaring gaf voor de rode plekken op de buik van de benadeelde.

In hoger beroep heeft het hof het vonnis van de politierechter vernietigd omdat het bewijs niet wettig en overtuigend was. De getuigen konden geen duidelijkheid verschaffen over het incident en het letsel kon ook op een andere wijze zijn ontstaan dan door mishandeling.

De advocaat-generaal en de verdediging vorderden beiden vrijspraak. Het hof sprak verdachte vrij van de tenlastegelegde mishandeling en verklaarde de schadevordering van €350,- van de benadeelde niet-ontvankelijk omdat de schuld niet bewezen was.

Beide partijen dragen hun eigen kosten. Het arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam op 20 november 2020.

Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken van mishandeling wegens onvoldoende wettig en overtuigend bewijs.

Uitspraak

afdeling strafrecht
parketnummer: 23-003157-18
datum uitspraak: 20 november 2020
TEGENSPRAAK
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 30 augustus 2018 in de strafzaak onder parketnummer 15-123427-18 tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1978,
adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van
20 november 2020 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsvrouw naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
hij op of omstreeks 8 juni 2018 te Purmerend, [benadeelde] heeft mishandeld door die [benadeelde] tweemaal, althans eenmaal, in zijn buik te stompen.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere beslissing komt dan de politierechter.

Vrijspraak

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden vrijgesproken. De verdediging heeft zich eveneens op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken.
Ook naar het oordeel van het hof is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte is tenlastegelegd, zodat de verdachte hiervan moet worden vrijgesproken. Het hof overweegt daartoe als volgt.
Op 8 juni 2018 is de verdachte naar de turnzaal aan de [straat] in Purmerend gegaan om verhaal te halen bij aangever [benadeelde], de turnleraar van zijn zoontje. Aldaar heeft in de kleedkamer een woordenwisseling plaatsgevonden. [benadeelde] heeft verklaard dat de verdachte hem tijdens de woordenwisseling twee stompen in zijn buik gaf. De verdachte heeft dit ontkend. Hij heeft in dit verband verklaard dat de rode plekken die naderhand bij [benadeelde] op zijn buik zijn geconstateerd, kunnen zijn ontstaan doordat [benadeelde] bij het wegglippen door de deur van de kleedkamer die de verdachte wilde dichthouden in aanraking is gekomen met de deurklink.
Het hof is van oordeel dat het dossier geen bewijsmateriaal bevat dat ontegenzeggelijk doorslaggevend kan zijn bij de beantwoording van de vraag of [benadeelde] door de verdachte in de buik is gestompt. De bij de raadsheer-commissaris gehoorde getuigen [getuige] en de politieambtenaar [verbalisant] kunnen op dat punt geen uitsluitsel geven en de enkele omstandigheid dat de aangever rode plekken had op zijn buik maakt het voorgaande niet anders, nu het letsel ook op een andere manier kan zijn ontstaan, in het bijzonder op de wijze zoals door de verdachte verklaard.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 350,00. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen.
De verdachte wordt niet schuldig verklaard ter zake van het tenlastegelegde handelen waardoor de gestelde schade zou zijn veroorzaakt. De benadeelde partij kan daarom in de vordering niet worden ontvangen.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart de benadeelde partij [benadeelde] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding.
Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder hun eigen kosten dragen.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. J.H.C. van Ginhoven, mr. M.L.M. van der Voet en mr. C.J. van der Wilt, in tegenwoordigheid van mr. C.H. Sillen, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 20 november 2020.