ECLI:NL:GHAMS:2020:3629

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
22 december 2020
Publicatiedatum
30 december 2020
Zaaknummer
200.270.581/01 GDW
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep klacht tegen toegevoegd gerechtsdeurwaarder wegens onrechtmatig beslag en gebrekkige specificatie

Deze zaak betreft een hoger beroep van een toegevoegd gerechtsdeurwaarder tegen een berisping opgelegd door de kamer voor gerechtsdeurwaarders wegens klachten over een onrechtmatig gelegd derdenbeslag en gebrekkige specificatie van de hoofdsom in het exploot.

De feiten betreffen een executoriaal derdenbeslag dat op 26 februari 2018 werd gelegd onder een bank, zonder voorafgaande betekening aan klager. Het beslag werd de volgende dag opgeheven en later alsnog betekend met een exploot dat een hoofdsom, explootkosten en executiekosten vermeldde. Klager diende meerdere klachten in over de handelswijze van de gerechtsdeurwaarder, waaronder het ontbreken van een specificatie van de hoofdsom en het niet tijdig overbetekenen van beslag.

De kamer verklaarde enkele klachten gegrond en legde een berisping op met kostenveroordeling. In hoger beroep stelde de gerechtsdeurwaarder dat hij niet verantwoordelijk was voor het beslag van 26 februari 2018 omdat dit door een ander kantoor was gelegd. Het hof oordeelde dat de tuchtrechtelijke verantwoordelijkheid voor die handeling niet bij de toegevoegd gerechtsdeurwaarder ligt en dat de klacht tegen hem in alle onderdelen ongegrond is. De eerdere beslissing werd vernietigd.

Uitkomst: Klacht tegen toegevoegd gerechtsdeurwaarder wordt ongegrond verklaard en eerdere berisping en kostenveroordeling vernietigd.

Uitspraak

beslissing
___________________________________________________________________ _ _
GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling civiel recht en belastingrecht
zaaknummer : 200.270.581/01 GDW
nummer eerste aanleg : C/13/644327/DW RK 18/120
beslissing van de notaris- en gerechtsdeurwaarderskamer van 22 december 2020
inzake
[toegevoegd gerechtsdeurwaarder] ,
toegevoegd gerechtsdeurwaarder te [plaats] ,
appellant,
tegen
[klager] ,
wonend te [plaats] ,
geïntimeerde.
Partijen worden hierna de gerechtsdeurwaarder en klager genoemd.

1.Het geding in hoger beroep

1.1.
De gerechtsdeurwaarder heeft op 27 december 2019 een beroepschrift - met bijlagen - bij het hof ingediend tegen de (aan deze beslissing gehechte) beslissing van de kamer voor gerechtsdeurwaarders te Amsterdam (hierna: de kamer) van 8 november 2019, voor zover die op hemzelf betrekking heeft (dit deel van die beslissing hierna te noemen: de bestreden beslissing).
1.2.
Klager heeft geen gebruik gemaakt van de hem geboden gelegenheid een verweerschrift bij het hof in te dienen.
1.3.
Het hof heeft van de kamer de stukken van de eerste aanleg ontvangen.
1.4.
De zaak is behandeld ter openbare terechtzitting van het hof van 8 oktober 2020. De gerechtsdeurwaarder, is verschenen en heeft het woord gevoerd.
Klager is, met berichtgeving vooraf, niet verschenen.

2.Feiten

Het hof verwijst voor de feiten naar hetgeen de kamer in de bestreden beslissing heeft vastgesteld. Partijen hebben tegen de vaststelling van de feiten door de kamer geen bezwaar gemaakt, zodat ook het hof van die feiten uitgaat. Samengevat en waar nodig aangevuld met andere feiten die zijn komen vast te staan gaat het in deze zaak om het volgende:
2.1.
Aan gerechtsdeurwaarderskantoor [naam kantoor 1] is de opdracht verstrekt tot tenuitvoerlegging van een alimentatiebeschikking van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 16 juli 2010.
2.2.
Op grond van die beschikking is op 26 februari 2018 executoriaal derdenbeslag gelegd onder de [ bank 1] te [plaats] , zonder dat dit is voorafgegaan door betekening van de desbetreffende titel aan klager.
2.3.
Op 28 februari 2018 is genoemd derdenbeslag opgeheven. Op diezelfde dag heeft een medewerker van de gerechtsdeurwaarder per brief de [ bank 1] verzocht geen kosten in rekening te brengen bij klager voor het ten onrechte gelegde beslag.
2.4.
Een dag later, op 1 maart 2018 is voornoemde titel door de gerechtsdeurwaarder aan klager betekend. In het exploot is bevel tot betaling gedaan voor de hoofdsom (€ 8.825,70), explootkosten en executiekosten van € 205,43. Op diezelfde dag heeft een medewerker van gerechtsdeurwaarderskantoor [naam kantoor 1] per brief een specificatie van de vordering aan klager gestuurd, evenals een modelformulier voor bepaling van de beslagvrije voet.
2.5.
Per brief van 5 maart 2018 heeft een medewerker van gerechtsdeurwaarderskantoor [naam kantoor 1] een nieuwe opgave van het verschuldigde aan klager gestuurd, waarbij de executiekosten van € 205,43 voor het onterecht gelegde bankbeslag zijn gecrediteerd. Bij diezelfde brief is aan klager medegedeeld dat eventuele kosten die de bank aan klager zou doorbelasten in verband met het gelegde derdenbeslag, gedeclareerd konden worden bij de gerechtsdeurwaarder.
2.6.
Op 26 maart 2018 heeft de gerechtsdeurwaarderskantoor [naam kantoor 1] opnieuw beslag gelegd ten laste van klager onder de [ bank 1] en de [bank 2] .
2.7.
Deze bankbeslagen zijn aan klager overbetekend op 11 april 2018.

3.Klacht

De klacht van klager bestaat uit de navolgende onderdelen.
a. De gerechtsdeurwaarder heeft op 26 februari 2018 uit het niets bankbeslag gelegd;
b. De gerechtsdeurwaarder heeft in een telefoongesprek gesteld bij klager te zijn langs geweest op 26 februari 2018, terwijl dit niet waar is;
c. Er zijn geen stukken overgelegd waaruit blijkt waarop beslag is gelegd, terwijl klager deze direct heeft opgevraagd;
d. In het exploot van 1 maart 2018 staat geen berekening van de hoofdsom. De gerechtsdeurwaarder heeft geen specificatie van de hoofdsom verstrekt aan klager ondanks diens verzoek daartoe;
e. Na een herhaald verzoek per e-mail om stukken, is klager gebeld door een medewerker van de gerechtsdeurwaarder. In dat telefoongesprek is klager op dreigende toon toegesproken;
f. De gerechtsdeurwaarder heeft geen formulier gevoegd bij het exploot van 1 maart 2018 voor het opgeven van gegevens ter berekening van de beslagvrije voet;
g. De gerechtsdeurwaarder heeft onjuiste bedragen in diens stukken opgenomen;
h. De op 26 maart 2018 gelegde bankbeslagen zijn niet tijdig aan klager overbetekend. De gerechtsdeurwaarder heeft onnodig kosten gemaakt door de gelegde bankbeslagen alsnog, te laat, over te betekenen;
i. De gerechtsdeurwaarder was er van op de hoogte dat klager niet over de financiële middelen beschikte om de vordering te voldoen. De gerechtsdeurwaarder heeft desalniettemin beslagen gelegd om klager op kosten te jagen.

4.Beoordeling

De kamer heeft in de bestreden beslissing de onderdelen a en d van de klacht van klager gegrond verklaard en aan de gerechtsdeurwaarder de maatregel van berisping opgelegd. Bij diezelfde beslissing is de gerechtsdeurwaarder veroordeeld in de kosten van klager (griffierecht € 50,-) alsmede in de kosten van de klachtbehandeling door de kamer (€ 1.500,-).
Het hof behandelt de klacht in hoger beroep weer in volle omvang, dus ook de onderdelen die de kamer ongegrond heeft geoordeeld of geheel of ten dele onbesproken heeft gelaten.
Klachtonderdelen a, b, c, e, h en i
4.1.
De gerechtsdeurwaarder heeft in hoger beroep aangevoerd dat de kamer ten onrechte ervan is uitgegaan dat hij werkzaam is bij gerechtsdeurwaarderskantoor [naam kantoor 1] , terwijl hij werkzaam is bij gerechtsdeurwaarderskantoor [naam kantoor 2] . Het bankbeslag van 26 februari 2018 betreft een handeling van gerechtsdeurwaarderskantoor [naam kantoor 1] . De gerechtsdeurwaarder is derhalve niet verantwoordelijk voor die handeling, aldus de gerechtsdeurwaarder.
4.2.
Dat standpunt is juist. De vordering op klager was in behandeling bij het gerechtsdeurwaarderskantoor [naam kantoor 1] en de gerechtsdeurwaarder is niet aan dat kantoor verbonden. Hij kan slechts tuchtrechtelijk verantwoordelijk worden gehouden voor de handelingen die hij zelf heeft verricht. Daarop stuiten de klachtonderdelen a, b, c, e, h en i af. Zij zijn ongegrond.
Klachtonderdeel d: specificatie hoofdsom
4.3.
De betekening van het exploot van 1 maart 2018 is door [naam kantoor 1] uitbesteed aan [naam kantoor 2] en vervolgens als losse opdracht door de gerechtsdeurwaarder uitgevoerd. Ter zitting heeft de gerechtsdeurwaarder toegelicht dat deze twee kantoren geheel los staan van elkaar. Volgens vaste jurisprudentie ligt het op de weg van het opdrachtverstrekkende gerechtsdeurwaarderskantoor om de toegevoegd gerechtsdeurwaarder juist en volledig te informeren. Met de inhoud van het exploot was in ieder geval op het eerste oog niets mis. De tuchtrechtelijke verantwoordelijkheid voor een eventuele fout in dat exploot ligt onder die omstandigheden bij de opdrachtverstrekkende gerechtsdeurwaarder. Van een gerechtsdeurwaarder kan bijvoorbeeld niet worden gevergd dat deze bij het uitvoeren van elke (losse) opdracht contact opneemt met het opdrachtverstrekkende gerechtsdeurwaarderskantoor met de vraag of er bijzonderheden zijn die zouden meebrengen dat de opdracht niet mag worden uitgevoerd. Nu de tuchtrechtelijke verantwoordelijkheid niet bij de gerechtsdeurwaarder ligt, treft deze klacht tegen de gerechtsdeurwaarder, anders dan de kamer heeft geoordeeld, geen doel.
Klachtonderdelen f en g:
4.4.
Met betrekking tot deze klachtonderdelen komt het hof tot hetzelfde oordeel als de kamer. Hetgeen de kamer in dit verband heeft overwogen maakt het hof tot het zijne. Deze klachtonderdelen zijn ongegrond.
4.5.
Het voorgaande leidt tot de slotsom dat de klacht tegen de gerechtsdeurwaarder in alle onderdelen ongegrond is. Voor de in eerste aanleg uitgesproken maatregel en kostenveroordelingen bestaat dus geen grond. Het hof zal de bestreden beslissing vernietigen.

5.Beslissing

Het hof:
- vernietigt de bestreden beslissing;
en, in zoverre opnieuw beslissende:
- verklaart de klacht tegen de gerechtsdeurwaarder ongegrond.
Deze beslissing is gegeven door mrs. J.C.W. Rang, L.J. Saarloos en A.W. Jongbloed en in het openbaar uitgesproken op 22 december 2020 door de rolraadsheer.