De verdachte werd ervan beschuldigd op 12 februari 2019 te Hoofddorp een personenauto te hebben bestuurd terwijl hem bij rechterlijke uitspraak de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen was ontzegd. In eerste aanleg werd hij veroordeeld tot een gevangenisstraf van twee weken.
In hoger beroep vernietigde het gerechtshof het vonnis van de politierechter en verklaarde het bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde feit had begaan. Het hof achtte de strafbaarheid van het feit en de verdachte onomstreden.
Hoewel een gevangenisstraf passend zou zijn voor dit feit, achtte het hof, mede gelet op de houding en persoonlijke omstandigheden van de verdachte, waaronder het inzicht in het kwalijke van zijn gedrag en het belang van zijn rijbewijs voor zijn werk, een taakstraf van 28 uur passend. Tevens wees het hof de vordering tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke rijontzegging af.
Het arrest werd uitgesproken door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam op 29 juli 2020.