ECLI:NL:GHAMS:2020:3926
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Veroordeling voor handelen in strijd met de Opiumwet en diefstal met verbreking bevestigd
Het gerechtshof Amsterdam behandelde het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de strafzaak tegen verdachte wegens handelen in strijd met de Opiumwet en diefstal met verbreking.
De verdediging voerde aan dat het binnentreden in de bedrijfsruimte onrechtmatig was omdat er geen redelijk vermoeden van schuld bestond. Het hof oordeelde echter dat de warmtemeting door een beveiligingsmedewerker, gecombineerd met een melding van een derde, een redelijk vermoeden opleverde. Hierdoor was het binnentreden rechtmatig op grond van de Opiumwet.
Het hof paste de kwalificatie van de feiten aan, maar bevestigde de strafbaarheid van het bewezen verklaarde. De verdachte werd veroordeeld voor opzettelijk handelen in strijd met artikel 3 onder Pro B van de Opiumwet en voor diefstal met verbreking. Het vonnis van de politierechter werd bevestigd, behalve de kwalificatie en wettelijke voorschriften van de feiten 1 en 2, die het hof corrigeerde.
Uitkomst: Het gerechtshof bevestigt de veroordeling voor overtreding van de Opiumwet en diefstal met verbreking, met aangepaste kwalificatie van feiten.