Het gerechtshof Amsterdam behandelde het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam waarin betrokkene werd verplicht tot betaling van een bedrag ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. De rechtbank had het voordeel geschat op €65.523,- en de betalingsverplichting vastgesteld op €48.958,-. Het openbaar ministerie had aanvankelijk een hogere vordering ingediend, die later werd gematigd.
De verdediging voerde aan dat de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel onjuist was, onder meer omdat bepaalde posten zoals een schadevergoeding uit 2012, de verkoop van een Audi A1, en diverse uitgaven niet in aanmerking genomen mochten worden. Ook werd betwist dat bepaalde goederen zoals scooters en een Rolex-horloge tot het voordeel behoorden.
Het hof oordeelde dat het rapport met de kasopstelling als uitgangspunt diende en verwierp het primaire verweer. Het hof corrigeerde de berekening op onderdelen, bijvoorbeeld door vermindering van het voordeel met de waarde van een Rolex Datejust buiten de onderzoeksperiode en het niet meenemen van een andere Rolex waarvan de aanschafdatum onduidelijk was. Verder werden diverse posten zoals huishoudelijke uitgaven niet meegenomen wegens onvoldoende onderbouwing.
Uiteindelijk stelde het hof het wederrechtelijk verkregen voordeel vast op €54.824,- en legde betrokkene de verplichting op dit bedrag aan de Staat te betalen. De verbeurdverklaring van een Mercedes was niet onherroepelijk, zodat de vervreemdingswaarde daarvan niet in mindering werd gebracht. Het vonnis waarvan beroep werd vernietigd en het hof deed opnieuw recht op deze wijze.