In hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam is de verdachte veroordeeld voor diefstal met geweld binnen een familieruzie over een geldbedrag. De feiten betreffen een conflict waarbij de verdachte en een medeverdachte verhaal gingen halen bij familieleden, wat escaleerde in geweld en afpersing.
De rechtbank had een voorwaardelijke gevangenisstraf van 1 maand en een taakstraf van 180 uren opgelegd. Het hof vernietigde dit deel van het vonnis en legde een voorwaardelijke gevangenisstraf van 2 maanden en een taakstraf van 80 uren op, mede rekening houdend met de ernst van de feiten, de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, waaronder haar zorg voor haar zoontje en haar psychische gesteldheid, en de overschrijding van de redelijke termijn.
Het hof benadrukte dat het gebruik van geweld en afpersing niet gerechtvaardigd is, ook niet bij een familieruzie over geld. De verhoudingen binnen een deel van de familie zijn genormaliseerd door mediation, maar niet met de andere betrokken familieleden. De opgelegde straffen zijn passend en geboden geacht, met aftrek van voorarrest voor de taakstraf.
De strafrechtelijke artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 56, 300 en 317 van het Wetboek van Strafrecht zijn toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.