Verzoeker stelt dat de rechtbank een aantal essentiële stellingen ongemotiveerd heeft gepasseerd, en ten onrechte op basis van eigen aannames heeft beslist.
Uit de door verzoeker overgelegde stukken blijkt genoegzaam dat [X] ten tijde van het aangaan van het huwelijk met verweerster wilsonbekwaam was, omdat hij leed aan een ernstige cognitieve stoornis. Reeds in 2011 was sprake van dementie bij [X] , in welk verband verzoeker verwijst naar de verklaring van de huisarts van [X] van 21 november 2016, de brief van de polikliniek van het Alzheimercentrum van VUmc van 18 februari 2014, en de verklaring van de neuroloog mw. dr. Lemstra van 29 september 2014. In de bijlage bij de eerstgenoemde verklaring wordt gesproken over taalstoornissen, maar ook over stoornissen in het geheugen en schade aan de hippocampus. [X] was patiënt van de polikliniek geheugenstoornissen van het Alzheimercentrum. Uit de documentatie van het Alzheimercentrum blijkt dat op 3 januari 2014 sprake was van een Mini-Mental State Examination (MMSE) met een score van 6. Een dergelijke score betekent een ernstige vorm van de ziekte van Alzheimer en dus een ernstige cognitieve stoornis, die tevens aanwezig was op de dag van de huwelijksvoltrekking, aldus verzoeker. De rechtbank heeft dit testresultaat ten onrechte minder betrouwbaar geacht gezien de overige overgelegde medische informatie, maar de rechter is geen neuroloog. Volgens de rechtbank paste het testresultaat op het eerste gezicht niet bij de conclusie over de zelfredzaamheid van [X] , maar verzoeker betwist die zelfredzaamheid; [X] was hele dagen thuis.
Verzoeker verwijst nadrukkelijk naar de verklaringen van de broer en de zus van [X] , die door de rechtbank niet lijken te zijn meegewogen. Daaruit blijkt onder meer dat [X] al geruime tijd geen auto meer reed. Verweerster heeft weliswaar stukken overgelegd betreffende de autohuur door [X] , maar daaruit blijkt voorts dat sprake was van een bijrijder die de auto bestuurde.
Voor zover de rechtbank de overtuiging dat [X] niet wilsbekwaam was nog niet had, had zij niet op de stoel van de neuroloog moeten gaan zitten en zelf conclusies moeten trekken, maar de behandelend neuroloog van [X] moeten oproepen als getuige. Deze neuroloog heeft [X] een jaar voor het huwelijk gesproken, alsmede iedere twee maanden bij controles.
Ook de ambtenaar is geen medicus. Deze kan dan ook, anders dan de rechtbank aanneemt, geen zinnige informatie verstrekken over de wilsbekwaamheid van een bij een huwelijk betrokken partij. Bovendien sprak de man ten tijde van de sluiting van het huwelijk geen Nederlands meer.
De rechtbank had het bewijsaanbod van verzoeker niet mogen passeren nu hij voldoende specifiek bewijs heeft aangeboden van feiten die tot de beslissing van de zaak kunnen leiden. Verzoeker herhaalt zijn aanbod om alle betrokken familieleden (onder wie de broer en de zus van [X] ) en de behandelend neuroloog van [X] (dhr. prof. dr. Ph. Scheltens en mw. dr. A.W. Lemstra) te laten horen.