Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.[geïntimeerde sub 1] ,
[geïntimeerde sub 2],
Gerechtshof Amsterdam
Appellante was gehuwd in algehele gemeenschap van goederen met wijlen echtgenoot, met wie zij aandelen bezat in een vennootschap die een bedrijfspand hield. Na ontbinding van het huwelijk en het overlijden van wijlen echtgenoot ontstond een geschil over de juridische en economische eigendom van het pand en de verdeling van de aandelen.
Appellante stelde dat het pand economisch eigendom was van de vennootschap en dat de vaststellingsovereenkomst onjuist was omdat het pand ten onrechte als privévermogen van wijlen echtgenoot werd beschouwd. Zij vorderde aanpassing van de overeenkomst op grond van redelijkheid en billijkheid en een 50/50 verdeling van de aandelen.
Het hof oordeelde dat de stelling dat het economische eigendom niet bij wijlen echtgenoot lag niet was bewezen. De notariële akte, jaarrekeningen en hypotheekakte wezen erop dat het juridische en economische eigendom bij wijlen echtgenoot berustte. Ook de omstandigheden rondom het vruchtgebruik en de financiële administratie ondersteunden dit oordeel.
Het hof verwierp het beroep op onvoorziene omstandigheden en de redelijkheid en billijkheid om de overeenkomst te wijzigen. De vorderingen van appellante werden afgewezen, het vonnis van de rechtbank bekrachtigd en appellante veroordeeld in de proceskosten van het hoger beroep.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis van de rechtbank en wijst de vorderingen van appellante af.