Conclusie
Haviltex-maatstaf beoordeeld of desalniettemin de uitleg die [eiser] aan de C.V.-akte geeft rechtens de juiste is. Die vraag is ontkennend beantwoord door het hof. Volgens het hof bieden de beschikbare bewijsmiddelen, te weten de C.V.-akte met haar bepalingen, in onderling verband bezien, en de verklaringen die zijn afgelegd door [de moeder] , [verweerder 2] , [eiser] en de accountant die bij het opstellen van de C.V.-akte betrokken is geweest, niet het van [eiser] verlangde bewijs. Tegen onder meer deze oordelen van het hof keert zich het door [eiser] ingediende cassatiemiddel.
1.Feiten
2.Procesverloop
Eerste aanleg
“In geval van inbreng van de economische eigendom van een goed in de maatschap op de voet dat niet slechts het gebruik is ingebracht maar dat het inbrengen aldus is geschied dat het goed eigendom van de inbrenger is gebleven doch de waarde daarvan tot het bedrijfsvermogen van de maatschap is gaan behoren, zodat de waardevermeerdering daarvan voor rekening van de maatschap komt, moet – indien partijen niet anders zijn over[e]engekomen – in het licht van de wettelijke regeling van de maatschap worden aangenomen dat de inbreng is geschied voor de periode gedurende welke het doel van de maatschap (het behalen van voordeel) wordt nagestreefd, derhalve tot de ontbinding van de maatschap. Door de inbreng van de economische eigendom gaat dit goed niet toebehoren aan de maten gezamenlijk. Wel zal in het kader van de vereffening de eventuele waardevermeerdering tussen de voormalige maten worden verrekend in overeen[een]stemming met hetgeen zij zijn overeengekomen ten aanzien van de verdeling van de door de maatschap behaalde winst of geleden verlies”.[cursivering van mij, A-G]
pachtis gebruikt en voormeld bedrag wellicht ook een redelijke pachtprijs zou zijn geweest, doet hieraan niet af. Hetzelfde geldt ten aanzien van het feit dat geen afschrijvingen inzake de grond zijn gedaan, te meer waar de cv niet heeft uitgelegd waarom afschrijvingen op de grond hadden moeten plaatsvinden. Door de cv is verder nog opgeworpen dat de moeder de kosten van onderhoud van de grond heeft voldaan doch dit is op generlei wijze inzichtelijk gemaakt. Wel stelt de rechtbank vast dat in de winst- en verliesrekening 2008 van de cv [A] , door [eiser] overgelegd als productie 7, een post
lasten onroerend goedad € 1.082 is opgenomen. Waar de cv haar stelling dat tussen de moeder en de cv [A] een pachtovereenkomst bestond, voor het overige niet nader heeft onderbouwd, dient de rechtbank uit te gaan van hetgeen in de akte is voorzien, te weten inbreng van de grond. Door de cv is – eerst bij antwoordconclusie na deskundigenbericht – nog betoogd dat de grond in 2007 werd gepacht door een broer van de vrouw. Voor het geval dit juist mocht zijn, doet dit niet af aan het feit dat de grond per 1 januari 2007 in de cv [A] is ingebracht en wel tegen een bedrag van € 517.000,-, zijnde volgens het taxatierapport d.d. 31 december 2006 van taxateur K. Rommens (productie 2 bij de conclusie van antwoord in conventie) de waarde in het vrije economische verkeer, waarbij over verpachting niet wordt gesproken. Inbreng van grond in een cv enerzijds en het bestaan van een pachtovereenkomst met een derde sluiten elkaar overigens niet uit. Samenvattend stelt de rechtbank vast dat de economische eigendom van de grond in de cv [A] is ingebracht en wel vanaf 31 december 2006.”
Haviltex-maatstaf moet worden toegepast en dat deze niet tot het door [eiser] gewenste resultaat leidt:
Haviltex-maatstaf moet worden beoordeeld of de uitleg die [eiser] aan die akte geeft rechtens de juiste is of die van [verweerders] , of dat een andere uitleg aan de orde is:
Haviltex-maatstaf miskend of verkeerd toegepast. [verweerders] hebben meer feiten en omstandigheden aangevoerd over de bedoeling van partijen dan de rechtbank in haar beoordeling tot uitdrukking heeft gebracht. Daarom slaagt de grief van [verweerders] dat de rechtbank bij de beoordeling van rechten en verplichtingen van partijen bij de C.V. een onjuiste maatstaf heeft aangelegd:
Haviltex-maatstaf dient uit te leggen, voor zover het gaat om de vraag of [eiser] op grond van artikel 13 van Pro de akte (randnummer 1.4 hiervoor) recht heeft op een aandeel in de waardestijging van de landbouwgronden (rov. 3.17.). In dit verband heeft het hof eerst weergegeven wat [eiser] respectievelijk [verweerders] hebben aangevoerd:
Haviltex-maatstaf de uitleg van de akte van [eiser] te kunnen onderschrijven. Het hof heeft [eiser] , overeenkomstig zijn aanbod, toegelaten feiten en omstandigheden te bewijzen die het oordeel rechtvaardigen dat partijen bij de C.V.-akte zijn overeengekomen dat [eiser] bij zijn uittreden recht heeft op een aandeel in de waardestijging van de landbouwgronden:
Haviltex-maatstaf (rov. 2.8.).
bij de beoordeling ter beschikking staan”, duiden er volgens het hof ook niet op dat partijen over en weer redelijkerwijs artikel 5 in Pro verbinding met artikel 13 van Pro de C.V.-akte aldus moesten begrijpen dat [eiser] bij zijn uittreden recht heeft op een aandeel in de waardestijging van de landbouwgronden:
3.De inbreng van economische eigendom bij een commanditaire vennootschap
PartijZ [ [de moeder] , A-G]
brengt bij aanvang in de vennootschap in landbouwgronden met een waarde van € 517.000 (...).” (randnummer 1.4 hiervoor).
economische eigendomingebracht, zodat hij in het kader van de door artikel 13 van Pro de C.V.-akte voorgeschreven verdeling recht heeft op een deel van de waardevermeerdering van de landbouwgronden. [eiser] doet hierbij een beroep op het
[… 1] / [… 2]-arrest (hierna randnummers 3.27 e.v.). [24] [verweerders] hebben echter betoogd dat geen sprake is geweest van inbreng van economische eigendom en dat het nooit de bedoeling van partijen is geweest dat de landbouwgronden in economische eigendom zouden worden ingebracht en [eiser] van een eventuele meerwaarde zou kunnen profiteren. [25] Volgens [verweerders] hebben partijen bij het aangaan van de commanditaire vennootschap uitsluitend bedoeld om het gebruik en het genot van de landbouwgronden in te brengen. [26] Het hof is uiteindelijk tot het oordeel gekomen dat de beschikbare bewijsmiddelen niet het van [eiser] verlangde bewijs bieden; het hof kan daarom de uitleg die [eiser] aan de akte geeft, inhoudende dat [eiser] bij zijn uittreden recht heeft op een aandeel in de waardestijging van het perceel grond, niet onderschrijven (rov. 2.10. eindarrest).
[… 1] / [… 2]-arrest van Uw Raad, [27] omdat Uw Raad in dit arrest een oordeel heeft gegeven (met betrekking tot de inbreng van economische eigendom) dat, al was het maar omdat [eiser] daarop, ook in cassatie, een beroep heeft gedaan, van belang is in deze procedure. Ik sluit deze paragraaf vervolgens af met een samenvattende conclusie.
Vagobel/Geldnet-arrest, [30] waarin Uw Raad heeft overwogen dat met het begrip economische eigendom slechts wordt gedoeld op het bestaan van een aantal verbintenisrechtelijke rechten en verplichtingen met betrekking tot een zaak, die niet in alle gevallen dezelfde inhoud behoeven te hebben.
economische eigendomvan het goed in te brengen. In dat geval komt, net als bij de inbreng van de juridische eigendom, een eventuele waardevermindering of waardevermeerdering voor rekening van de vennootschap:
inbrengvan zogenaamde
economische eigendom: terwijl het goed juridisch eigendom blijft van de inbrenger gaat, economisch gezien, het belang daarbij de vennootschap aan.” [42]
[… 1] / [… 2](hierna randnummers 3.27 e.v.). [47]
nietde juridische eigendom van een goed wordt ingebracht, maar
welhet economische belang daarbij (omdat hiermee in wezen economische eigendom is aangeduid, hanteer ik hierna duidelijkheidshalve enkel nog dit laatste begrip). Ook dan komen het risico bij het ingebrachte goed en eventuele waardeveranderingen voor rekening van de vennootschap en ook in deze situatie moet het goed op de balans worden geactiveerd:
Inleiding personenvennootschappenook weer de volgende mogelijkheden van inbreng noemen:
economische eigendomvan het goed ingebracht, dan komt, net als bij inbreng van de juridische eigendom, een eventuele waardevermindering of waardevermeerdering van dat goed voor rekening van de vennootschap. In dit verband wordt in de literatuur steevast verwezen naar het
[… 1] / [… 2]-arrest.
[… 1] / [… 2]was van creditering weliswaar geen sprake, maar mocht het hof kennelijk betekenis toekennen aan het feit dat bepaalde kosten die samenhingen met genoemde landerijen voor rekening van de maatschap waren gekomen. Dit duidde volgens het hof op de inbreng van economische eigendom (randnummer 3.28 hiervoor). [66]
4.Bespreking van het cassatiemiddel
Haviltex-maatstaf heeft toegepast in rov. 3.15. tot en met 3.20. van het tussenarrest; en
Haviltex) werd geconfronteerd, maar bij de behandeling daarvan de nadruk is gaan leggen op de bewijsrechtelijke consequenties die verbonden zouden moeten worden aan een onderhandse akte. Dit heeft mijns inziens een onnodig complicerend effect en verdient geen navolging. Een akte kan – zo meen ik – de inhoud van de rechtsverhouding niet dwingend bewijzen; die dwingende bewijskracht ziet op het bestaan van een (of meer) verklaring(en) met een bepaalde (tekstuele) inhoud en wordt gerechtvaardigd door de ondertekening door de partij tegen wie de dwingende bewijskracht wordt ingeroepen. [68] Wat partijen in deze procedure werkelijk verdeeld houdt, is niet of partijen een bepaalde verklaring hebben gedaan met een bepaalde (tekstuele) inhoud – daarover zijn zij het eens – maar welke rechtsgevolgen dat in de verhouding tussen partijen heeft. Dat is een uitlegvraag die door de rechter moet worden beantwoord.
[… 1] / [… 2]-arrest (randnummer 2.3 hiervoor). [69] Het hof op zijn beurt heeft in rov. 3.12. van het tussenarrest verwezen naar HR 22 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3263,
NJ2018/44 (
[…] B.V.), meer in het bijzonder naar de overweging van Uw Raad dat het voor de dwingende bewijskracht van een onderhandse akte in de zin van art. 157 lid 2 Rv Pro aankomt op “
(uitleg van) alleen die akte zelf” (randnummer 2.22 hiervoor)
.Volgens [eiser] zijn beide arresten van Uw Raad hier relevant en heeft de rechtbank, anders dan het hof heeft geoordeeld, op de juiste wijze getoetst, ook met het criterium uit het arrest van 22 december 2017 juist op het netvlies. Het hof heeft aan dat arrest, zo betoogt [eiser] , een verkeerde betekenis toegekend, althans het daarin geformuleerde criterium rechtens onjuist (althans onbegrijpelijk) toegepast.
Haviltex-maatstaf zou moeten worden vastgesteld, het oordeel van het hof blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, althans niet is voorzien van een voldoende begrijpelijke motivering. In dat geval heeft het hof volgens [eiser] miskend dat bij uitleg aan de hand van de
Haviltex-maatstaf groot gewicht toekomt aan de taalkundige betekenis die de bewoordingen van de C.V.-akte, gelezen in de context van die akte, in het maatschappelijk verkeer normaal gesproken hebben, alsook dat de wijze waarop partijen uitvoering hebben gegeven aan de overeenkomst één van de omstandigheden is die dienen te worden meegewogen. In elk geval is dan onbegrijpelijk, aldus nog steeds [eiser] , dat het hof, indien het die maatstaf niet heeft miskend, niet tot het voorshandse oordeel is gekomen dat (vaststaat dat) de economische eigendom van de landbouwgronden in de C.V. is gebracht, behoudens door [verweerders] te leveren tegenbewijs.
NJ2018/44 (
[…] B.V.), rov. 3.4.2 voor de dwingende bewijskracht daarvan aankomt op “
(uitleg van) alleen die akte zelf” (rov. 3.12. tussenarrest).
van het samenstel van concrete verbintenissen die tussen de juridisch eigenaar en een derde tot stand is gekomen” (rov. 3.14., tweede alinea, tussenarrest).
Haviltex-maatstaf beoordeeld of de uitleg die [eiser] aan de C.V.-akte geeft rechtens de juiste is of die van [verweerders] , dan wel dat een andere uitleg aan de orde is (rov. 3.15.-3.20. tussenarrest en rov. 2.8. eindarrest).
Haviltex-maatstaf de uitleg van de akte van [eiser] te kunnen onderschrijven. Het hof heeft [eiser] daarop, overeenkomstig zijn aanbod, toegelaten feiten en omstandigheden te bewijzen die het oordeel rechtvaardigen dat partijen bij de C.V.-akte zijn overeengekomen dat [eiser] bij zijn uittreden recht heeft op een aandeel in de waardestijging van de landbouwgronden.
(uitleg van) alleen die akte zelf)”.
ten aanzien van het genot van die zaak’, maar de splitsing tussen juridische en de economische waarde daarvan, ofwel, volgens de in de literatuur en rechtspraak gehanteerde definitie: “
Economische eigendom is de verzamelterm voor gevallen, waarin een goed in juridische zin toebehoort aan de een, terwijl de economische waarde ervan deel uitmaakt van het vermogen van de ander”. Indien en voor zover het hof heeft bedoeld dat bepalend is of partijen bij de C.V. een (expliciete of stilzwijgende) afspraak hebben gemaakt over het (volledig) wegnemen van het risico van tenietgaan van de onroerende zaak en de waardeverandering daarvan bij de juridische eigenaar en dat uitsluitend indien een dergelijke afspraak feitelijk komt vast te staan, sprake is van de inbreng van economische eigendom in de C.V., geeft dat oordeel volgens [eiser] blijk van een te beperkte duiding van het begrip economische eigendom in een civielrechtelijke context als de onderhavige, waarbij het immers gaat om een ‘samenstelsel van rechten en verplichtingen’, en daarmee van een onjuiste rechtsopvatting. Volgens [eiser] geldt dit ook voor de slotzin van de tweede alinea van rov. 3.14., waar, aldus [eiser] , het hof als eis stelt dat het moet gaan om “
concrete verbintenissen”. In dit verband voert [eiser] aan dat uit het vervolg van ’s hofs overwegingen (zie de derde alinea van rov. 3.14.) blijkt dat het hof daarmee kennelijk heeft bedoeld dat er sprake moet zijn van een ‘concrete’ [70] verklaring van [de moeder] dat zij de economische eigendom van de landbouwgronden in de C.V. brengt.
concrete verbintenissen” en direct daarna, in de derde alinea van rov. 3.14., hecht het hof waarde aan het feit dat artikel 5 lid Pro 1b van de C.V.-akte geen concrete verklaring bevat dat [de moeder] de economische eigendom inbrengt. Hiermee is het hof inderdaad uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting. Het gaat hier om de inbreng van een goed in een commanditaire vennootschap. Voor de inbreng van de economische eigendom van een goed in een commanditaire vennootschap is een nadrukkelijke bepaling of verklaring daartoe niet vereist. Dat de economische eigendom is ingebracht, kan blijken uit bepaalde omstandigheden, bijvoorbeeld uit de omstandigheid dat de inbrengende vennoot is gecrediteerd ter hoogte van de inbrengwaarde, uit de omstandigheid dat de waarde van het goed in de balans van de balans is opgenomen en uit de omstandigheid dat bepaalde kosten die met het goed te maken hebben voor rekening van de commanditaire vennootschap zijn gekomen (randnummers 3.33 en 3.35 hiervoor).
ontbrekenvan een (concrete) verklaring inhoudende dat [eiser] bij voortzetting van de C.V. als bedoeld in artikel 13 van Pro de akte recht heeft op een deel van de waardevermeerdering van de landbouwgronden. Hiermee heeft het hof miskend dat de akte een crediteringsbeding inhoudt, hetgeen ook zonder een nadrukkelijke verklaring of bepaling daartoe duidt op de inbreng van de juridische of de economische eigendom (randnummer 3.33 hiervoor) en daarmee op een recht van [eiser] om te delen in de waardevermeerdering. Door beslissende betekenis toe te kennen aan de vraag of [de moeder] in de C.V.-akte heeft verklaard dat zij de economische eigendom van de landbouwgronden inbrengt, is het hof inderdaad van een onjuiste rechtsopvatting uitgegaan (randnummers 4.2 en 4.5 van de procesinleiding).
Haviltex-uitleg) (randnummer 4.9 hiervoor onder (5) en (6)), alsmede de in dat verband door het hof in rov. 2.10. van het eindarrest bereikte slotsom dat de beschikbare bewijsmiddelen niet het van [eiser] verlangde bewijs bieden (randnummer 4.9 hiervoor onder (7) en (8)).
Haviltex-uitleg die het hof heeft gegeven, de bewijsopdracht aan [eiser] en het oordeel dat hij niet in het bewijs is geslaagd, zodat zijn vordering moet worden afgewezen.
Haviltex-maatstaf heeft toegepast (randnummer 4.9 hiervoor onder (5) tot en met en (8)). In dit verband brengt [eiser] enkele slagende klachten naar voren.
Haviltex-maatstaf. Het hof is vervolgens ook niet meer teruggekomen op deze omstandigheden, ook niet in het eindarrest. Hiermee heeft het hof miskend dat de wijze waarop partijen uitvoering hebben gegeven aan de overeenkomst een omstandigheid betreft die mag worden meegewogen bij uitleg van die overeenkomst conform de
Haviltex-maatstaf. [71]
Haviltex-maatstaf de uitleg van [eiser] te kunnen onderschrijven (rov. 3.20. tussenarrest) ontoereikend is gemotiveerd. Het gaat hier om de stelling van [eiser] dat de omstandigheid dat de waarde van de landbouwgronden op de balans van de C.V. als actief is opgenomen, erop duidt dat de economische eigendom is ingebracht, alsmede om zijn stelling dat de omstandigheid dat bepaalde kosten met betrekking tot de landbouwgronden voor rekening van de vennootschap zijn gekomen, daarop wijst. [72] Deze stellingen zijn essentieel, nu de genoemde omstandigheden indiceren dat de economische eigendom is ingebracht (randnummer 3.35 hiervoor).
Omdat bij overlijden van [de moeder] een aanzienlijk bedrag aan successierechten zou kunnen worden bespaard bij de overdracht van het perceel grond aan [verweerder 2] is besloten tot het aangaan van een C.V.” (rov. 3.19. tussenarrest) (randnummer 6.4 van de procesinleiding). Volgens [eiser] is dan sprake van innerlijke tegenstrijdigheid, omdat de stelling van [verweerders] dat niet beoogd is de economische eigendom in te brengen, haaks staat op het doel dat zij naar eigen zeggen met de commanditaire vennootschap hadden (het besparen van een aanzienlijk bedrag aan erfbelasting). Dit laatste kan volgens [eiser] alleen als de goederen juridisch of economisch in de onderneming worden gebracht. [73] Deze motiveringsklacht treft doel. Het gaat hier om een omstandigheid die erop duidt dat niet enkel het zuiver genot van de landbouwgoederen, maar de juridische of de economische eigendom daarvan is ingebracht. Voor (de omvang van een eventuele) besparing van successierechten maakt het naar mag worden aangenomen verschil of sprake is van inbreng van enkel het zuiver genot of van de juridische of de economische eigendom. Van het hof kon daarom worden verwacht dat het aandacht zou besteden aan deze stellingname van [verweerders] , eens te meer in het licht van de overweging van de rechtbank in rov. 3.1. van het deelvonnis van 27 januari 2016 dat voor het geval destijds op grond van fiscale overwegingen voor een C.V.-constructie is gekozen, dat niet automatisch met zich brengt dat partijen de juridische implicaties van een commanditaire vennootschap slechts ten dele hebben beoogd.
Haviltex-criterium (rov. 3.20. tussenarrest en rov. 2.8. tot en met 2.10. eindarrest). Dit heeft geresulteerd in een afwijzing van zijn vordering.
Haviltex-maatstaf (rov. 3.20., eerste zin, tussenarrest).
BNB2010/45 verkeerd heeft geduid, faalt echter, nu dit niet valt te lezen in de tweede alinea van rov. 3.14. van het tussenarrest. Anders dan [eiser] aanvoert in randnummer 3.4.1 van de procesinleiding, bestaat er wel degelijk zoiets als economische eigendom in fiscale zin (randnummers 3.7 en 3.8 hiervoor).
(uitleg van) alleen die akte zelf” (zie rov. 3.12. tussenarrest).
Haviltex-maatstaf de uitleg van [eiser] te kunnen onderschrijven.
Haviltex-maatstaf groot gewicht toekomt aan de taalkundige betekenis die de bewoordingen van de C.V.-akte, gelezen in de context van die akte, normaal gesproken hebben in het maatschappelijk verkeer. [74] Volgens [eiser] biedt de taalkundige betekenis van de in artikel 5 lid Pro 1b van de C.V.-akte gekozen woorden geen grond voor de lezing dat die woorden moeten worden uitgelegd als ‘inbreng van gebruiks- en genotsrecht van de gronden’. Dat geldt volgens [eiser] eens te meer indien deze woorden in de context van de C.V.-akte worden geplaatst, waarin ook een crediteringsbeding ten behoeve van [de moeder] is opgenomen. Deze klacht faalt, nu in de hier bestreden overwegingen van het hof niet valt te lezen dat het hof de taalkundige betekenis van de in artikel 5 lid Pro 1b gebezigde woorden heeft miskend en evenmin dat daaraan gewicht toekomt bij de toetsing aan de
Haviltex-maatstaf. Taalkundig bezien en op zichzelf beschouwd, kan de tekst van artikel 5 lid Pro 1b van de C.V.-akte ook zo worden uitgelegd dat daarmee bedoeld is dat [de moeder] enkel het zuiver genot van de landbouwgronden inbrengt. Het crediteringsbeding staat aan deze uitleg weliswaar in ieder geval in de weg, maar dat is een andere kwestie. Hiervoor is al uiteengezet dat de hierop gerichte klachten van [eiser] slagen.
dit gedrag (…) geen steun[biedt]
aan de uitleg van de C.V.-akte zoals die [eiser] die voorstaat” faalt ook. Het is wel degelijk duidelijk dat het hof daarmee bedoeld heeft dat het feit dat [eiser] niet direct of kort na zijn vertrek uit de C.V. aanspraak heeft gemaakt op zijn deel van de waardevermeerdering, erop duidt dat hij niet wist dat hij daarop recht had en dus ook niet uitging van de door hem thans voorgestane uitleg van de C.V.-akte. Deze overweging geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en behoefde geen nadere motivering.