ECLI:NL:GHAMS:2020:796

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
16 maart 2020
Publicatiedatum
16 maart 2020
Zaaknummer
23-000221-19
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 onder C OpiumwetArt. 63 SrArt. 422 lid 2 Sv
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling wegens opzettelijk bezit van MDMA in strijd met Opiumwet

In hoger beroep heeft het gerechtshof Amsterdam het vonnis van de politierechter bevestigd, met uitzondering van de kwalificatie en de opgelegde taakstraf die werden vernietigd en herzien. De verdachte werd bewezen verklaard opzettelijk in bezit te zijn van een hoeveelheid MDMA, een schadelijke en verboden stof volgens artikel 2 onder Pro C van de Opiumwet.

De rechtbank had een taakstraf van 20 uur opgelegd, subsidiair 10 dagen hechtenis, maar het hof wijzigde dit in een geldboete van €400, met een vervangende hechtenisstraf van 8 dagen bij niet-betaling. Het hof hield rekening met de ernst van het feit, de volksgezondheid, de maatschappelijke bezwaren tegen het gebruik van harddrugs, de LOVS-oriëntatiepunten en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, waaronder het tijdsverloop sinds het feit en de tijd in voorarrest.

Het arrest werd gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam op 16 maart 2020. De advocaat-generaal had een hogere geldboete gevorderd, maar het hof legde een lagere boete op gelet op de omstandigheden en het voorschrift van artikel 63 Sr Pro. Het vonnis is daarmee grotendeels bevestigd, met een aangepaste strafoplegging.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot een geldboete van €400, vervangbaar door 8 dagen hechtenis wegens opzettelijk bezit van MDMA.

Uitspraak

afdeling strafrecht
parketnummer: 23-000221-19
datum uitspraak: 16 maart 2020
TEGENSPRAAK (gemachtigd raadsman)
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 7 januari 2019 in de strafzaak onder parketnummer
13-689050-18 tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1997,
adres: [adres]

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van
2 maart 2020 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de raadsman naar voren is gebracht.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen, behalve ten aanzien van de kwalificatie en de opgelegde taakstraf – in zoverre wordt het vonnis vernietigd – en met dien verstande dat het hof artikel 63 van Pro het Wetboek van Strafrecht (Sr) toevoegt aan de toepasselijke wettelijke voorschriften.

Kwalificatie

Het bewezen verklaarde levert op:
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod.

Oplegging van straf

De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezen verklaarde veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 20 uren subsidiair 10 dagen hechtenis met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een geldboete van € 500,00 subsidiair 10 dagen hechtenis.
De raadsman heeft het hof verzocht in geval van een strafoplegging aan de verdachte een geldboete op te leggen.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon en draagkracht van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het opzettelijk aanwezig hebben van een hoeveelheid pillen met MDMA (XTC) en een hoeveelheid MDMA. MDMA is een voor de gezondheid van gebruikers daarvan schadelijke stof. Dergelijke middelen vormen een ernstig gevaar voor de volksgezondheid en het gebruik ervan is ook bezwarend voor de samenleving.
De LOVS-oriëntatiepunten schrijven bij het aanwezig hebben van 0-10 gram harddrugs een geldboete van € 750,00 voor. Het hof zal echter in strafmatigende zin rekening houden met het tijdsverloop sedert het bewezen verklaarde feit en de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Tot slot houdt het hof bij de strafoplegging rekening met het voorschrift van artikel 63 Sr Pro.
Het hof acht, alles afwegende, een geldboete van na te melden hoogte passend en geboden.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de kwalificatie en de opgelegde taakstraf en doet in zoverre opnieuw recht.
Kwalificeert het bewezen verklaarde als hiervoor vermeld.
Veroordeelt de verdachte tot een
geldboetevan
€ 400,00 (vierhonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door
8 (acht) dagen hechtenis.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. P.F.E. Geerlings, mr. I.M.H. van Asperen de Boer-Delescen en mr. H.A. van Eijk, in tegenwoordigheid van mr. S. Bonset, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 16 maart 2020.
mr. P.F.E. Geerlings en mr. H.A. van Eijk zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.