De zaak betreft een hoger beroep van de vader tegen de verlenging van de ondertoezichtstelling (OTS) van zijn twee kinderen, [kind A] en [kind B], die sinds de scheiding van hun ouders geen contact meer willen met hun moeder. De kinderen wonen bij de vader en zijn sinds september 2018 onder toezicht gesteld vanwege ouderverstoting en de daarmee gepaard gaande problematiek.
De vader betoogt dat de kinderen zich goed ontwikkelen, dat er geen kindsignalen zijn en dat de ondertoezichtstelling onterecht is verlengd. De moeder en de gecertificeerde instelling (GI) stellen dat de situatie onveranderd is, dat de kinderen nog steeds contact weigeren en dat een OTS noodzakelijk is om contactherstel te kunnen afdwingen. De GI wijst op mogelijke toekomstige ontwikkelingsproblemen door ouderverstoting.
Het hof overweegt dat hoewel het afwijzen van contact zorgelijk is, dit niet zonder meer een ernstige en concrete bedreiging vormt die een verlenging van de OTS rechtvaardigt. De kinderen ontwikkelen zich goed op school en in sport, en er zijn geen actuele kindsignalen. De stelling van ouderverstoting wordt niet door een officiële diagnose ondersteund. Het hof vernietigt daarom de beschikking tot verlenging en wijst het verzoek van de GI af.
Het hof benadrukt de verantwoordelijkheid van de ouders om hun verstoorde relatie te normaliseren en het contactherstel mogelijk te maken, en wijst op het belang van het volgen van het advies van hulpverleners. Beide ouders hebben toegezegd hieraan mee te werken, ook zonder verlenging van de OTS.