Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Het verloop van het geding in eerste aanleg
2.Het geding in hoger beroep
3.De feiten
;
Gerechtshof Amsterdam
Het geschil betreft de beëindiging van het gezamenlijk gezag over drie minderjarige kinderen na ontbinding van het huwelijk van de ouders. De moeder verzocht om het gezag eenhoofdig aan haar toe te wijzen, terwijl de vader dit verzoek betwistte en het hoger beroep instelde.
De rechtbank had het gezamenlijk gezag beëindigd vanwege een onaanvaardbaar risico dat de kinderen klem zouden raken tussen de ouders, en het hof bevestigt dit oordeel. De communicatie tussen de ouders verloopt sinds 2014 moeizaam, wat de ontwikkeling en behandeling van de kinderen negatief beïnvloedt. De vader weigerde herhaaldelijk toestemming te geven voor noodzakelijke behandelingen en handelingen voor de kinderen, wat vertraging veroorzaakte.
De Raad voor de Kinderbescherming adviseerde het gezag te beëindigen, omdat de ouders niet in staat zijn het gezag gezamenlijk uit te oefenen. Het hof acht een raadsonderzoek niet noodzakelijk en bekrachtigt de beschikking. Het hof benadrukt dat dit oordeel niet in de weg staat aan het opzetten van begeleide omgang tussen de vader en de kinderen.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt de beschikking die het gezamenlijk gezag beëindigt en het eenhoofdig gezag aan de moeder toewijst.