ECLI:NL:GHAMS:2021:101

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
22 januari 2021
Publicatiedatum
22 januari 2021
Zaaknummer
23-002555-19
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 416, lid 3, Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in hoger beroep wegens gebrek aan rechtens te beschermen belang

In deze strafzaak heeft het Openbaar Ministerie hoger beroep ingesteld tegen een onderdeel van de strafmotivering van het vonnis van de rechtbank Amsterdam. Tijdens de terechtzitting in hoger beroep heeft de advocaat-generaal gesteld dat het Openbaar Ministerie geen rechtens te respecteren belang heeft bij een inhoudelijke behandeling van het hoger beroep wanneer dit alleen tegen de motivering is gericht.

Het hof heeft na afweging van de standpunten en overleg met de verdediging geoordeeld dat het Openbaar Ministerie inderdaad niet-ontvankelijk moet worden verklaard op grond van artikel 416, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering. Er is geen sprake van een rechtens te beschermen belang dat de voortzetting van de zaak rechtvaardigt.

Het arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam en uitgesproken op 8 december 2020. De oudste raadsheer was verhinderd om mede te ondertekenen. De beslissing betreft een procedurele niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in het hoger beroep.

Uitkomst: Het Openbaar Ministerie is niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep wegens gebrek aan rechtens te beschermen belang.

Uitspraak

afdeling strafrecht
parketnummer: 23-002555-19
datum uitspraak: 8 december 2020
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 20 juni 2019 in de strafzaak onder parketnummer 13-728219-16 tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1974,
adres: [adres].

Onderzoek ter terechtzitting

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van
8 december 2020.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal.

Ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in het hoger beroep

Het Openbaar Ministerie heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis waarvan beroep. Blijkens de appelschriftuur was het hoger beroep gericht tegen een onderdeel van de strafmotivering. Bij e-mail van 30 november 2020 en op de terechtzitting in hoger beroep van 8 december 2020 heeft de advocaat-generaal zich op het standpunt gesteld dat het Openbaar Ministerie in een geval als het onderhavige, waarin het ingestelde hoger beroep alleen is gericht tegen de motivering, geen rechtens te respecteren belang heeft bij een inhoudelijke behandeling van dat hoger beroep en dat het Openbaar Ministerie daarin om die reden niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
Gelet op het voorgaande en gehoord de verdediging, is het hof van oordeel dat, nu ook overigens niet is gebleken van enig rechtens te beschermen belang dat is gediend met de voortgezette behandeling van de zaak, het Openbaar Ministerie op grond van het bepaalde in artikel 416, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in het ingestelde hoger beroep.

BESLISSING

Het hof:
Verklaart het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in het hoger beroep.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. N.A. Schimmel, mr. J.J.I. de Jong en mr. J.W.P. van Heusden, in tegenwoordigheid van
mr. J. Mulder, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van
8 december 2020.
De oudste raadsheer is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.