Uitspraak
mr. Y. Wehrmeijeren
mr. L.H.J. Baijer, beiden kantoorhoudende te Amsterdam,
mr. F.Th.P. van Voorst, kantoorhoudende te Zoetermeer,
mr. F.Th.P. van Voorst, kantoorhoudende te Zoetermeer.
Het verloop van het geding
2 De feiten
Heren, In aansluiting op hetgeen wij gisteren bespraken het volgende: Het hoeft geen nader betoog dat wij allemaal teleurgesteld zijn over het onverwachte negatieve resultaat van het plan Zegwaartseweg. We zijn er echter allemaal bij geweest dus is het fair dat wij dit verlies ook gezamenlijk nemen, en de zure appel maar zo snel mogelijk doorslikken”.
Eindsaldo Projekt Hof van Brederode”. Beide facturen zijn onbetaald gebleven.
Vanzelfsprekend zijn wij bereid om de informatie met jou te delen waarover[ [B] ]
beschikt. Indien je daar prijs op stelt zou ik die informatie, zoals bijvoorbeeld de bankafschriften, kunnen downloaden en aan jou toesturen. De administratie over 2018 ligt bij onze accountant (…), die ook jouw accountant is. Aan de vaststelling van de jaarrekening daarvan staat niets in de weg. De onderwerpen, die je aanstipt, betreffen bijna uitsluitend de samenwerking tussen [B] als projectontwikkelaar en jouw bouwbedrijf als aannemer. (…) Voor de agenda die jij nu voorstelt lijkt mij in ieder geval geen ruimte zonder het risico te lopen dat jij in een bestuursvergadering van [B] in een belangenconflict geraakt. Laat staan dat je in een algemene vergadering van aandeelhouders van [B] ook de uitvoering van een contractuele relatie met een derde, zoals [G] , aan de orde zou kunnen stellen. In beide gevallen zit jij daar dan bij deze agenda telkens met meer petten op. Daar heb ik geen zin in. (…) Er mankeert niets aan de informatievoorziening naar jou binnen [B] en [B] komt al zijn verplichtingen na. Dat kan de laatste tijd niet worden gezegd van [G] ; getekende aannemingsovereenkomst(en) worden bijvoorbeeld niet meer aan [B] geretourneerd. De afwikkeling via de notaris en uiteindelijk misschien ook wel onze samenwerking wordt daardoor door jou onnodig onder druk gezet.”
ontwerpkosten, projectontwikkeling, tekenwerkzaamheden, acquisitie”, facturen van [D] voor onder meer “
kosten projectontwikkeling”en
“acquisitiewerkzaamheden” (ruim € 290.000) en “
kosten management” en “
aanbrengprovisie en aankooponderhandeling” (ruim € 195.000), alsmede de factuur van [G] van 19 februari 2019 (zie 2.7).
niet compleet, niet nauwkeurig of anderszins onbevredigend is”.
3.De gronden van de beslissing
corporate opportunities– en zetten [A] buiten spel door haar onrechtmatig te ontslaan als bestuurder en zetten haar vervolgens onder druk met beslagen en procedures. Zij hebben eenzijdig een activiteitenstop van [B] aangekondigd – wat feitelijk neerkomt op een liquidatie van de onderneming – en ontwikkelen gezamenlijk activiteiten buiten [B] om;
niet compleet, niet nauwkeurig of anderszins onbevredigend is” (zie 2.11). [A] heeft in dat kader gewezen op de afspraak die partijen in de samenwerkingsovereenkomst hadden vastgelegd om elk hun inspanningen benodigd voor de ontwikkeling van woningbouwplannen
om nietin te brengen (zie 2.3) en de facturen van [C] en [D] daarom als “spookfacturen” bestempeld. Het feit dat [C] en [D] de betreffende facturen naderhand tot een bedrag van ruim € 700.000 hebben gecrediteerd, doet vermoeden dat die term terecht is gehanteerd. Ter zitting heeft mr. Van Voorst gezegd dat indiening van deze facturen kan worden gezien als een reactie van [D] en [C] op de factuur van [G] voor “bijkomende kosten Hof van Brederode” (zie 2.5 en 2.7), waardoor dat vermoeden wordt versterkt. Het bestuur heeft niettemin de vorderingen van [C] en [D] in de jaarrekening 2018 opgenomen en na de creditering daarvan niet meer aangepast. De onder 2.7 vermelde vordering van € 625.000 op [G] , de andere aanvulling op de conceptjaarrekening 2018, ligt ter beoordeling voor aan de rechtbank Gelderland (2.22). Dat bij die stand van zaken voorzichtigheidshalve 50% van die vordering in de jaarrekening is opgenomen, levert geen gegronde reden voor twijfel aan een juiste gang van zaken op. De gang van zaken rondom de vaststelling van de jaarrekening 2018 daarentegen roept weer wel vragen op. Ter zitting heeft mr. Van Voorst verklaard dat in de bijeenkomst op 23 december 2019 is afgesproken om deze buiten vergadering vast te stellen. Dat laatste is ook gebeurd, blijkens het handelsregister (zie 2.15). Uit de notulen van de vergadering van aandeelhouders van 23 december 2019 blijkt echter een dergelijke afspraak niet. Duidelijk was dat [A] niet zou stemmen voor vaststelling van de jaarrekening in deze vorm en de overige aandeelhouders waren bekend met haar bezwaren daartegen. Dat de jaarrekening desondanks buiten haar om, buiten vergadering, is vastgesteld, getuigt niet van een juiste gang van zaken.
om nietzouden inbrengen (zie 2.3). Ook in de vastlegging van de besluitvorming hierover op 21 februari 2020 en 4 augustus 2020 is geen verwijzing naar die afspraak te vinden (zie 2.16 en 2.20), integendeel; in de notulen van de vergadering van 21 februari 2020 is opgenomen dat er in de afspraken
nietis voorzien in een managementvergoeding voor [D] en dat ter stemming een voorstel voorligt die alsnog toe te kennen. Al met al acht de Ondernemingskamer niet aannemelijk dat voor iedereen duidelijk was dat [D] op grond van een afspraak in het begin van de samenwerking aanspraak had op een managementvergoeding. Daarbij komt dat [D] vervolgens haar factuur, waarmee zij met terugwerkende kracht tot 2017 een managementvergoeding in rekening heeft gebracht, enkele dagen na de vergadering van 21 februari 2020 door het bestuur heeft laten uitbetalen. [D] had daar geen recht op, aangezien de managementvergoeding volgens de notulen van die vergadering pas vanaf 1 januari 2019 was toegekend. Daaraan doet niet af dat de algemene vergadering een half jaar later, op 4 augustus 2020, alsnog ook een managementvergoeding voor [D] over de jaren 2017 en 2018 heeft toegekend. Op voorhand was duidelijk dat [A] wegens vakantie die vergadering niet kon bijwonen en uit de “notulen” van die vergadering wordt door het ontbreken van een toelichting geenszins duidelijk waarom [D] ondanks de afspraak, zoals vastgelegd in de samenwerkingsovereenkomst, drie jaren na dato alsnog recht had op een managementvergoeding.