Het gerechtshof Amsterdam behandelde het hoger beroep tegen een vonnis van de politierechter waarin verdachte werd veroordeeld voor het opzettelijk en wederrechtelijk vernielen van een sigarettenautomaat op een opvanglocatie voor asielzoekers.
Verdachte beriep zich op overmacht in de zin van noodtoestand, stellende dat hij door ernstige jeuk en bultjes op zijn lichaam handelde om medische hulp af te dwingen. Dit verweer werd door het hof verworpen omdat de vernieling van de automaat niet proportioneel was en geen acute noodsituatie rechtvaardigde.
Ook het subsidiaire beroep op psychische overmacht faalde, aangezien geen sprake was van een van buiten komende drang waaraan verdachte geen weerstand kon bieden.
Het hof achtte bewezen dat verdachte de vernieling had gepleegd en veroordeelde hem tot een gevangenisstraf van één dag, gelijk aan de duur van het voorarrest. De vordering van het COA tot schadevergoeding werd niet-ontvankelijk verklaard, omdat deze in de strafprocedure niet verder kon worden behandeld.