ECLI:NL:GHAMS:2021:1237
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Schorsing tenuitvoerlegging vonnis over gedeeltelijke verwijdering bedrijfsgebouw wegens onrechtmatige hinder
In deze civiele zaak staat de onrechtmatige hinder centraal die [X] c.s. veroorzaken door de bouw van een bedrijfsgebouw (pand II) op circa één meter afstand van het pand van [geïntimeerde] (pand I). De rechtbank Amsterdam heeft geoordeeld dat sprake is van onrechtmatige hinder en [X] c.s. veroordeeld tot het gedeeltelijk verwijderen van pand II binnen twee maanden, onder dwangsom.
[X] c.s. zijn in hoger beroep gekomen en hebben incidenteel verzocht om schorsing van de tenuitvoerlegging van deze veroordeling. Zij stellen dat het afbreken van het pand kostbaar en tijdrovend is, niet binnen de termijn van twee maanden kan worden uitgevoerd, en dat het behoud van de huidige situatie zwaarder weegt dan het belang van [geïntimeerde] bij directe uitvoering.
Het hof overweegt dat hoewel het vonnis in principe uitvoerbaar is, het belang van [X] c.s. bij behoud van de bestaande situatie zwaarder weegt dan het belang van [geïntimeerde] bij directe tenuitvoerlegging. De verminderde lichtinval op pand I is erkend, maar de huidige huurder heeft de ramen al jaren afgeplakt en er is geen concreet bewijs van actuele schade. De schorsing wordt daarom toegewezen tot het eindarrest in de hoofdzaak.
Uitkomst: Schorsing van de tenuitvoerlegging van het vonnis tot gedeeltelijke verwijdering van het pand van [X] c.s. tot het eindarrest in de hoofdzaak.