ECLI:NL:GHAMS:2021:1528
Gerechtshof Amsterdam
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep over vaststelling kinderalimentatie en draagkracht man
Partijen zijn de ouders van een minderjarig kind dat bij de vrouw verblijft. De man kwam in hoger beroep tegen een beschikking waarin hij werd verplicht €120 per maand kinderbijdrage te betalen. De vrouw stelde dat partijen een overeenkomst hadden gesloten over deze bijdrage, maar het hof oordeelde dat deze afspraak niet bestond of niet meer werd nageleefd.
Het geschil betrof de ingangsdatum van de alimentatie, de behoefte van het kind en de draagkracht van de man. Het hof stelde de ingangsdatum vast op 9 juli 2019, de datum waarop de man door de advocaat van de vrouw werd aangeschreven. De behoefte van het kind werd berekend op basis van het netto besteedbaar gezinsinkomen in 2019, waarbij het inkomen van beide ouders werd betrokken.
De draagkracht van de man werd vastgesteld op €246 per maand, waarbij rekening werd gehouden met zijn netto inkomen, de lasten van aflossing van schulden en de kinderbijdrage voor zijn twee andere kinderen. De vrouw had een draagkracht van €25 per maand. Het hof oordeelde dat de gezamenlijke draagkracht onvoldoende was om volledig in de behoefte van het kind te voorzien, maar stelde de bijdrage van de man vast op €246 per maand.
De proceskosten werden gecompenseerd vanwege de relatie tussen partijen en de aard van de procedure. Het hof vernietigde de eerdere beschikking en deed een nieuwe uitspraak over de kinderbijdrage.
Uitkomst: De man moet vanaf 9 juli 2019 een maandelijkse kinderbijdrage van €246 betalen.