ECLI:NL:GHAMS:2021:1540
Gerechtshof Amsterdam
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Toewijzing huurrecht echtelijke woning aan vrouw na echtscheiding
Partijen zijn in 1963 gehuwd en hebben acht meerderjarige kinderen. De rechtbank heeft op verzoek van de vrouw de echtscheiding uitgesproken en het huurrecht van de echtelijke woning aan de man toegekend. De vrouw kwam in hoger beroep tegen zowel de echtscheiding als de toewijzing van het huurrecht.
Het hof verklaart het hoger beroep tegen de echtscheiding niet-ontvankelijk omdat het huwelijk duurzaam is ontwricht en de vrouw onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van wilsgebrek. De vrouw betoogde dat zij door agressief gedrag van de man tot het verzoek was bewogen, maar dit werd niet gegrond bevonden.
Ten aanzien van het huurrecht stelt het hof vast dat beide partijen belang hebben bij het verkrijgen van het huurrecht. Beide zijn op leeftijd en hebben gezondheidsproblemen, en het vinden van vervangende woonruimte is lastig. De man bezit een appartement in Marokko, wat hem meer financiële armslag geeft. De vrouw kan niet gemakkelijk bij haar kinderen wonen vanwege gezondheidsbeperkingen.
Na belangenafweging oordeelt het hof dat het huurrecht aan de vrouw moet worden toegekend. De beschikking van de rechtbank wordt op dit punt vernietigd en gewijzigd. De vrouw wordt huurder van de woning met ingang van de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand.
Uitkomst: Het hoger beroep tegen de echtscheiding is niet-ontvankelijk verklaard en het huurrecht van de echtelijke woning is aan de vrouw toegewezen.