ECLI:NL:GHAMS:2021:156
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkverklaring verdachte in hoger beroep strafzaak
In deze strafzaak heeft het gerechtshof Amsterdam op 11 januari 2021 uitspraak gedaan over de ontvankelijkheid van verdachte in het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 31 december 2019. De verdachte had hoger beroep ingesteld, maar tijdens de terechtzitting gaf zijn raadsvrouw aan dat hij zijn oorspronkelijke bezwaren niet langer wenst te handhaven en verzocht om niet-ontvankelijkverklaring op grond van artikel 416, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering.
Het hof heeft de vordering van de advocaat-generaal tot niet-ontvankelijkverklaring en het standpunt van de raadsvrouw in overweging genomen. Gezien het ontbreken van enig rechtens te respecteren belang bij voortzetting van het hoger beroep, heeft het hof de verdachte niet-ontvankelijk verklaard. Dit betekent dat het hoger beroep niet inhoudelijk wordt behandeld.
De uitspraak is gedaan door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarbij één van de rechters niet kon tekenen. De beslissing is genomen na openbare terechtzitting en de verdachte is hiermee definitief niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep.
Uitkomst: Verdachte is niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep wegens het niet langer handhaven van bezwaren en het ontbreken van een rechtens te respecteren belang.