ECLI:NL:GHAMS:2021:162

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
11 januari 2021
Publicatiedatum
26 januari 2021
Zaaknummer
23-002047-19
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36e SvArt. 422 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Nietigverklaring dagvaarding in hoger beroep wegens niet-uitreiking op verblijfplaats verdachte

In deze strafzaak is hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de politierechter. Het hof onderzocht de geldigheid van de dagvaarding in hoger beroep. Volgens artikel 36e, lid 1, van het Wetboek van Strafvordering moet de dagvaarding worden uitgereikt aan de feitelijke woon- of verblijfplaats van de verdachte indien deze niet gedetineerd is en niet in de Basisregistratie Persoon staat ingeschreven.

De verdachte was ten tijde van de dagvaarding niet gedetineerd en niet ingeschreven in de BRP. Tijdens een eerder verhoor gaf de verdachte een adres op als verblijfplaats. Het hof acht dit adres als de feitelijke verblijfplaats. Uit het dossier en de zitting bleek echter dat de dagvaarding niet aan dit adres is uitgereikt.

Omdat de dagvaarding niet op de wettelijk voorgeschreven wijze is uitgereikt en de verdachte noch zijn gemachtigde verschenen is, verklaart het hof de dagvaarding in hoger beroep nietig. Hierdoor kan het hoger beroep niet worden behandeld.

Uitkomst: De dagvaarding in hoger beroep is nietig verklaard wegens niet-uitreiking op de verblijfplaats van de verdachte.

Uitspraak

afdeling strafrecht
parketnummer: 23-002047-19
datum uitspraak: 11 januari 2021
NIET VERSCHENEN
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 23 mei 2019 in de strafzaak onder parketnummer
13-087245-19 tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1983,
laatst opgegeven verblijfsadres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van
11 januari 2021 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv), naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, die – naar het hof begrijpt – strekt tot nietigverklaring van de dagvaarding in hoger beroep.

Geldigheid van de dagvaarding in hoger beroep

Op grond van artikel 36e, eerste lid, Sv dient de dagvaarding van de verdachte om op de terechtzitting in hoger beroep te verschijnen, indien de verdachte niet is gedetineerd en niet in de Basisregistratie Persoon (BRP) staat ingeschreven, te worden uitgereikt aan diens (feitelijke) woon- of verblijfplaats.
De verdachte was ten tijde van het doen uitgaan van de appeldagvaarding niet gedetineerd of ingeschreven in de BRP. Bij diens verhoor van 11 april 2019 heeft de verdachte het adres ‘[adres]’ opgegeven als het adres waar hij logeert. Het hof merkt dat adres dan ook aan als de feitelijke verblijfplaats van de verdachte. Niet is gebleken dat dit adres als achterhaald moet worden beschouwd. Uit de stukken in het dossier en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep blijkt niet dat een afschrift van de appeldagvaarding is verzonden naar dat adres, zodat ervan moet worden uitgegaan dat dit niet is geschied.
Uit het vorenoverwogene volgt dat de dagvaarding om in hoger beroep op de terechtzitting van
11 januari 2021 te verschijnen niet op de door de wet voorgeschreven wijze aan de verdachte is uitgereikt. De appeldagvaarding dient op grond daarvan – nu de verdachte noch zijn (gemachtigd) raadsvrouw ter terechtzitting is verschenen – nietig te worden verklaard.

Beslissing

Het hof:
Verklaart de dagvaarding in hoger beroep nietig.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. J.J.I. de Jong, mr. C.N. Dalebout en mr. H.A. van Eijk, in tegenwoordigheid van
mr. S. Bonset, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van
11 januari 2021.
mr. C.N. Dalebout is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.