ECLI:NL:GHAMS:2021:1683
Gerechtshof Amsterdam
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Vaststelling eenhoofdig gezag moeder en omgangsregeling vader met kinderen na uithuisplaatsing
In deze civiele procedure over personen- en familierecht heeft het Gerechtshof Amsterdam op 8 juni 2021 uitspraak gedaan over het gezag en de omgangsregeling van drie minderjarige kinderen. De kinderen waren sinds oktober 2019 onder toezicht gesteld en uit huis geplaatst vanwege een onveilige thuissituatie. Na ongeveer een half jaar in pleeggezinnen zijn zij in april 2020 bij de moeder geplaatst, die sindsdien een stabiele woonomgeving biedt.
De moeder verzocht het eenhoofdig gezag over de kinderen toe te wijzen, omdat gezamenlijk gezag niet mogelijk was door ernstige communicatieproblemen en een loyaliteitsconflict. De vader was aanvankelijk belast met het eenhoofdig gezag, maar stelde in hoger beroep gezamenlijk gezag voor, mits hulpverlening de communicatie zou verbeteren. De gecertificeerde instelling en de Raad voor de Kinderbescherming adviseerden het gezag aan de moeder toe te wijzen vanwege het belang van stabiliteit en rust voor de kinderen.
Het hof oordeelde dat het gezamenlijk gezag niet haalbaar is gezien de angst en het gebrek aan communicatie tussen de ouders, en dat het belang van de kinderen bij een stabiele opvoedsituatie prevaleert. Daarom werd het eenhoofdig gezag aan de moeder toegekend. Daarnaast werd een omgangsregeling vastgesteld waarbij de vader om de week onder begeleiding van de gecertificeerde instelling twee uur contact heeft met de kinderen, met ruimte voor uitbreiding afhankelijk van de draagkracht van de kinderen en de voortgang van de hulpverlening.
Uitkomst: Het hof wijst het eenhoofdig gezag toe aan de moeder en stelt een begeleide omgangsregeling voor de vader vast.