Het gerechtshof Amsterdam behandelde het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam in een strafzaak tegen verdachte geboren in 1993. De verdachte was in eerste aanleg vrijgesproken van enkele tenlasteleggingen, maar het hof verklaarde hem niet-ontvankelijk in hoger beroep tegen die vrijspraken vanwege wettelijke beperkingen.
De benadeelde partij had een schadevergoedingsvordering ingediend die in eerste aanleg niet-ontvankelijk werd verklaard. In hoger beroep werd deze vordering opnieuw onderbouwd met facturen en specificaties, waarna het hof de schadevergoeding van €1.010,91 toewijst, inclusief een bedrag van €50,00 aan contant geld dat plausibel werd geacht.
Daarnaast behandelde het hof de vordering tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke gevangenisstraf uit 2017. Ondanks positieve ontwikkelingen van de verdachte acht het hof verlenging van de proeftijd met één jaar noodzakelijk om recidive te voorkomen. Het vonnis wordt bevestigd, behalve waar het de schadevergoeding en tenuitvoerlegging betreft, die worden aangepast.