De verdachte werd als gerechtelijk bewindvoerder benoemd over het vermogen van de benadeelde, die hersenletsel had opgelopen. In de periode van september 2017 tot februari 2018 heeft de verdachte geldbedragen van de spaarrekening van de benadeelde overgeboekt naar zijn eigen rekening en weer terug, waarbij hij zich wederrechtelijk heeft toegeëigend van ongeveer €100.000.
De verdachte stelde in hoger beroep dat de benadeelde op de hoogte was en toestemming had gegeven voor investeringen in cryptovaluta, maar dit scenario werd door het hof ongeloofwaardig bevonden omdat het pas in hoger beroep werd aangevoerd en niet onderbouwd was. De verklaringen van de benadeelde en Whatsapp-berichten ondersteunen het bewijs van verduistering.
Het hof vernietigde het eerdere vonnis van de politierechter en veroordeelde de verdachte tot een taakstraf van 140 uren en een ontzetting uit het recht om gerechtelijk bewindvoerder te zijn voor drie jaren. Tevens werd de verdachte veroordeeld tot vergoeding van €200 aan materiële schade aan de benadeelde, vermeerderd met wettelijke rente, en tot betaling van proceskosten.
De vordering tot immateriële schade werd afgewezen wegens gebrek aan onderbouwing. Het hof benadrukte de bijzondere vertrouwenspositie van de bewindvoerder en het belang van integer en transparant handelen. De straf weerspiegelt de ernst van het feit en de schending van vertrouwen door de verdachte.