ECLI:NL:GHAMS:2021:1971
Gerechtshof Amsterdam
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Gezamenlijk gezag blijft in stand wegens onvoldoende risico voor kind
In deze zaak stond de vraag centraal of het gezamenlijk gezag over een minderjarige moest worden beëindigd en omgezet in eenhoofdig gezag ten gunste van de moeder. De rechtbank had het gezamenlijk gezag beëindigd op verzoek van de moeder, die stelde dat de vader geen vaste woon- of verblijfplaats had en geen rol in de verzorging speelde. De vader kwam in hoger beroep en verzocht vernietiging van die beschikking.
Het hof overwoog dat gezamenlijk gezag het uitgangspunt is en dat beëindiging alleen kan indien er een onaanvaardbaar risico bestaat dat het kind klem of verloren raakt tussen de ouders, of als wijziging anderszins in het belang van het kind is. De vader stelde dat hij betrokken wilde blijven en dat de moeder contact met hem belemmerde. De moeder voerde aan dat de vader onbereikbaar was en geen rol had in de verzorging.
De Raad voor de Kinderbescherming onthield zich van advies, benadrukte het belang van beide ouders in het leven van het kind en vond onvoldoende bewijs dat gezamenlijk gezag schadelijk zou zijn. Het hof constateerde moeizame communicatie en onverwerkt verdriet tussen ouders, maar vond het te vroeg om gezamenlijk gezag te beëindigen. Het belang van het kind bij betrokkenheid van beide ouders woog zwaar. Het hof vernietigde de beschikking van de rechtbank en handhaafde het gezamenlijk gezag.
Het incidentele verzoek tot schorsing van de werking van de beschikking werd ingetrokken door de vader, zodat daarop niet meer werd beslist. Het vonnis werd openbaar uitgesproken op 22 juni 2021.
Uitkomst: Het hof handhaaft het gezamenlijk gezag over het kind en wijst het verzoek tot eenhoofdig gezag af.