ECLI:NL:GHAMS:2021:2010
Gerechtshof Amsterdam
- Kort geding
- Rechtspraak.nl
Bekrachtiging vonnis inzake blokkering bankrekening en registratie bij WhatsApp-fraude
De zaak betreft een hoger beroep tegen een vonnis van de voorzieningenrechter waarin de blokkering van de bankrekening van appellante en haar registratie in het Incidentenregister en het Extern Verwijzingsregister (EVR) door ING werd bevestigd. ING had deze maatregelen genomen vanwege aanwijzingen dat de rekening van appellante betrokken was bij WhatsApp-fraude.
Appellante stelde dat zij zelf slachtoffer was van fraude en geen medewerking had verleend aan het gebruik van haar rekening. Het hof oordeelde dat appellante onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat zij niet betrokken was. Uit de inloggegevens en transacties bleek dat zij frequent had ingelogd en betalingen had geprobeerd te verrichten, en dat een nieuw device was gekoppeld aan haar account zonder afdoende verklaring.
Het hof concludeerde dat de maatregelen van ING proportioneel en subsidiariteitseisen voldeden, gezien de ernst van de fraude en het belang van de integriteit van de financiële sector. Het beroep van appellante werd afgewezen en het vonnis van de voorzieningenrechter bekrachtigd. Appellante werd veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis en wijst het beroep van appellante af wegens onvoldoende aannemelijkheid van onschuld en rechtmatigheid van de maatregelen.