ECLI:NL:GHAMS:2021:2075
Gerechtshof Amsterdam
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Beëindiging machtiging uithuisplaatsing wegens ontbreken wettelijke gronden
Het geschil betreft de machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige bij de vader, waarbij de moeder in hoger beroep verzoekt deze machtiging te vernietigen en de uithuisplaatsing te beëindigen. De raad voor de kinderbescherming en de gecertificeerde instelling (GI) steunen de oorspronkelijke machtiging, hoewel zij zich onthouden van een standpunt over voortzetting.
De feiten tonen dat de minderjarige in 2018 is geboren uit een verbroken relatie van de ouders die gezamenlijk het gezag uitoefenen. De raad verzocht op 31 maart 2021 om een voorlopige ondertoezichtstelling en op 2 april 2021 om een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing bij de vader, welke werd verleend. De moeder betwist de noodzaak en motivering van de uithuisplaatsing, terwijl de raad wijst op meldingen van Veilig Thuis, politie en een buurman over een onveilige situatie en emotionele onbeschikbaarheid van de moeder.
Het hof oordeelt dat de oorspronkelijke machtiging terecht was gegeven op grond van meerdere zorgelijke signalen, waaronder meldingen van geweld en verward gedrag van de moeder. Inmiddels is de situatie verbeterd: de minderjarige vertoont geen negatieve signalen, heeft een positieve omgang met beide ouders en verblijft regelmatig onbegeleid bij de moeder. De GI acht de situatie veilig genoeg voor omgang en overnachtingen bij de moeder.
Daarom bekrachtigt het hof de machtiging tot 7 juni 2021, maar vernietigt deze voor de periode daarna en wijst het verzoek tot voortzetting af. Het hof benadrukt dat de ouders moeten blijven werken aan hun communicatie en samenwerking in het belang van de minderjarige.
Uitkomst: De machtiging tot uithuisplaatsing wordt bekrachtigd tot 7 juni 2021 en daarna beëindigd wegens het ontbreken van wettelijke gronden.