ECLI:NL:GHAMS:2021:2080
Gerechtshof Amsterdam
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep kinderbijdrage: vaststelling ingangsdatum, behoefte en draagkracht ouders
Partijen, ouders van twee minderjarige kinderen, zijn in hoger beroep over de vaststelling van de kinderbijdrage die de man aan de vrouw moet betalen. Het geschil betreft de ingangsdatum van de bijdrage, de behoefte van de kinderen en de draagkracht van de ouders.
Het hof oordeelt dat de ingangsdatum van de kinderbijdrage 1 september 2017 is, omdat partijen toen al in mediation waren en de man betalingen verrichtte. De behoefte van de kinderen wordt berekend op basis van het jaar 2017, het laatste jaar van samenwonen. De draagkracht van beide ouders wordt vastgesteld aan de hand van hun netto besteedbaar inkomen, rekening houdend met huurinkomsten van de man tot mei 2019 en een zorgkorting van 25% vanwege de zorgregeling.
De kinderbijdrage wordt vastgesteld op €136 per kind per maand van 1 september 2017 tot 1 mei 2019, €176 per kind per maand van 1 mei 2019 tot 1 januari 2020, en €127 per kind per maand vanaf 1 januari 2020. Het hof bepaalt dat de vrouw niet verplicht is teveel betaalde bedragen terug te betalen. De beschikking wordt vernietigd en opnieuw vastgesteld conform deze bedragen.
Uitkomst: De kinderbijdrage wordt vastgesteld op drie periodes met bedragen van respectievelijk €136, €176 en €127 per kind per maand, ingaande 1 september 2017, en de beschikking van de rechtbank wordt vernietigd.