Corium B.V. verzocht de Ondernemingskamer op 9 oktober 2020 om een onderzoek naar het beleid en de gang van zaken van Lederland c.s. en om onmiddellijke voorzieningen te treffen, waaronder de schorsing van een bestuurder. Lederland c.s. verweerden zich met een niet-ontvankelijkheidsverzoek en een voorwaardelijk zelfstandig verzoek tot schorsing van Corium als bestuurder.
De zaak werd op 19 november 2020 behandeld, waarna de Ondernemingskamer de zaak aanhield om partijen gelegenheid te geven tot overleg. Na het uitblijven van overeenstemming trok Corium haar verzoek op 16 juni 2021 in. Lederland c.s. stemden in met de intrekking, maar wilden hun voorwaardelijk zelfstandig verzoek voortzetten en wijzigen.
De Ondernemingskamer oordeelde dat de intrekking van Corium betekent dat zij niet-ontvankelijk is en dat het voorwaardelijke zelfstandig verzoek van Lederland c.s. daarmee niet ontvankelijk is omdat de voorwaarde niet is vervuld. De Ondernemingskamer wees het verzoek van Lederland c.s. af om het voorwaardelijke karakter van hun verzoek te laten vervallen, omdat dit niet aan de orde was in het partijdebat en de goede procesorde zich daartegen verzet.
Tot slot veroordeelde de Ondernemingskamer Corium in de kosten van de procedure tot op heden, begroot op €4.102, en verklaarde deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.