ECLI:NL:GHAMS:2021:2297
Gerechtshof Amsterdam
- Kort geding
- Rechtspraak.nl
Bekrachtiging beslagbesluit ondanks gedeeltelijke afwijzing bodemvordering
In deze kortgedingzaak vordert appellant opheffing van een conservatoir beslag dat geïntimeerde op diens woning heeft gelegd. De bodemprocedure, waarin de vordering waarvoor het beslag is gelegd deels is afgewezen, loopt nog in hoger beroep. Appellant stelde dat hij voldoende zekerheid had gesteld door een bedrag te storten op de derdengeldrekening, en dat het beslag daarom opgeheven moest worden.
De voorzieningenrechter wees de vordering tot opheffing af, omdat appellant onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat het hoger beroep tot een ander oordeel zal leiden en omdat het belang van geïntimeerde bij het behoud van het beslag zwaarder woog. Appellant voerde drie grieven aan tegen dit vonnis, waaronder dat de zekerheidsstelling tot opheffing moest leiden en dat de belangenafweging in zijn voordeel moest uitvallen.
Het hof oordeelt dat appellant geen zekerheid heeft gesteld voor het bedrag dat geïntimeerde in hoger beroep vordert boven het reeds toegewezen bedrag. Ook slaagt het betoog dat de belangenafweging tot opheffing moet leiden niet, omdat appellant onvoldoende aannemelijk maakte dat hij daadwerkelijk een koopovereenkomst heeft gesloten of waarom de verbouwing van de woning niet anders gefinancierd kan worden.
Het hof bekrachtigt het bestreden vonnis, wijst de vordering tot opheffing af en veroordeelt appellant in de kosten van het hoger beroep. De proceskostenveroordeling wordt forfaitair vastgesteld en uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis en wijst de vordering tot opheffing van het conservatoir beslag af.