ECLI:NL:GHAMS:2021:2362
Gerechtshof Amsterdam
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Verlenging ondertoezichtstelling minderjarige met oog op vrijwillige hulpverlening
De zaak betreft een verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige die sinds 2017 onder toezicht staat van een gecertificeerde instelling (GI). De minderjarige was sinds 2019 uit huis geplaatst bij zijn zus, maar keerde in januari 2021 uit eigen beweging terug naar zijn moeder. De GI had de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing verlengd, wat door de moeder en de minderjarige werd bestreden.
De machtiging tot uithuisplaatsing was vervallen omdat deze niet binnen drie maanden was uitgevoerd, waardoor het hof verzoekers niet-ontvankelijk verklaarde in het hoger beroep tegen deze machtiging. De ondertoezichtstelling werd verlengd omdat er gegronde zorgen waren over de opvoedkwaliteiten van de moeder, haar psychische klachten en de last die op de minderjarige rust (parentificatie). De zus en de Raad voor de Kinderbescherming waren betrokken en adviseerden verschillend over de noodzaak van verlenging.
Het hof oordeelde dat ondanks de positieve ontwikkeling van de minderjarige en zijn schoolprestaties, de zorgen over de moeder en de plotselinge terugkeer van de minderjarige voldoende grond vormden voor verlenging. Tegelijkertijd werd de ondertoezichtstelling slechts verlengd tot 15 augustus 2021, om de overgang naar hulpverlening in het vrijwillig kader mogelijk te maken, zoals voorgesteld door de zus. Dit kader sluit beter aan bij de leeftijd en ontwikkeling van de minderjarige en wordt als effectiever geacht.
Uitkomst: De ondertoezichtstelling van de minderjarige wordt verlengd tot 15 augustus 2021 en het hoger beroep tegen de machtiging tot uithuisplaatsing wordt niet-ontvankelijk verklaard.