De man en vrouw zijn de ouders van een minderjarige dochter geboren in 2005. De man heeft de dochter erkend, maar alleen de vrouw oefent het gezag uit. De man verzocht om gezamenlijk gezag, wat door de rechtbank werd afgewezen. In hoger beroep betoogde de man dat hij gedurende de hele levensduur van de minderjarige betrokken is geweest en dat partijen in staat zijn tot redelijke communicatie.
De vrouw stelde dat de communicatie al tien jaar moeizaam is, dat er geen structurele omgangsregeling is en dat gezamenlijk gezag niet in het belang van het kind is. Het hof constateerde dat er een langdurige verstoorde verstandhouding bestaat, met slechts beperkte communicatie in een korte periode in 2020. De minderjarige gaf aan dat zij spanning ervaart door het conflict tussen haar ouders en momenteel niet vrij is om contact te hebben met haar vader en diens familie.
Het hof oordeelde dat gezamenlijk gezag alleen kan worden toegekend als ouders in staat zijn tot behoorlijk overleg en gezamenlijke besluitvorming, wat hier niet het geval is. Er is een onaanvaardbaar risico dat het kind klem raakt tussen de ouders en geen verbetering binnen afzienbare tijd wordt verwacht. Het verzoek van de man wordt daarom afgewezen, maar het hof benadrukt het belang van het herstellen van het contact tussen de minderjarige en haar vader en diens familie.