ECLI:NL:GHAMS:2021:2443

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
10 augustus 2021
Publicatiedatum
11 augustus 2021
Zaaknummer
000310-21
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Raadkamer
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 530 SvArt. 533 SvArt. 534 SvArt. 6 EVRMArt. 12 Sv
Verwijzingen
10 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vergoeding toegekend voor onrechtmatige voorlopige hechtenis na beroving met dodelijk gevolg

Appellant stelde een verzoek in tot vergoeding van schade en kosten geleden door voorlopige hechtenis en rechtsbijstand in een strafzaak waarin hij werd verdacht van een beroving met dodelijke afloop. Het hof nam kennis van de stukken en hoorde partijen in raadkamer, waarbij appellant niet verscheen.

De artikelen 530 en 533 Sv voorzien in vergoeding van kosten en schade bij zaken die eindigen zonder strafoplegging, mits gronden van billijkheid aanwezig zijn. Het hof benadrukte dat de rechter bij het billijkheidsoordeel rekening houdt met de proceshouding van de verzoeker en de aard van de zaak, zonder de onschuldpresumptie te schenden.

In deze zaak had appellant in een telefoongesprek aan een derde toegegeven het feit te hebben gepleegd, wat de politie aanleiding gaf tot aanhouding. Gezien de ernst van het feit en de eigen schuld van appellant aan de situatie, oordeelde het hof dat slechts een beperkte vergoeding billijk was.

Het hof vernietigde de eerdere beschikking en kende appellant een vergoeding toe van €830, terwijl overige verzoeken werden afgewezen. De beschikking werd uitgesproken door de meervoudige raadkamer van het gerechtshof Amsterdam op 10 augustus 2021.

Uitkomst: Het hof kent appellant een vergoeding van €830 toe wegens onrechtmatige voorlopige hechtenis en wijst overige verzoeken af.

Uitspraak

beschikking
GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling strafrecht
rekestnummer(s): 000310-21 (530 Sv) en 000311-21 (533 Sv)
parketnummer in eerste aanleg: 15-299973-19
Beschikking op het hoger beroep tegen de beschikking van de enkelvoudige raadkamer van de rechtbank Noord-Holland (locatie Alkmaar) van 25 januari 2021 op het verzoekschrift op de voet van de artikel 530 en Pro 533 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:
[verzoeker],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2003,
domicilie kiezende ten kantore van zijn advocaat, mr. M. van Viegen,
[adres].

1.Procesverloop

Het hoger beroep is op 26 januari 2021 ingesteld door verzoeker (hierna appellant).
Het hof heeft kennis genomen van de stukken in de strafzaak met voormeld parketnummer en heeft op 27 juli 2021 de advocaat-generaal en de advocaat van appellant ter gelegenheid van de openbare behandeling van het verzoekschrift in raadkamer gehoord. Appellant is niet in raadkamer verschenen.

2.Inhoud van het verzoek

Het verzoek - zoals gewijzigd in raadkamer in hoger beroep - strekt tot het verkrijgen van een vergoeding ter zake van:
schade die verzoeker stelt te hebben geleden als gevolg van de ondergane verzekering en voorlopige hechtenis in de strafzaak met voormeld parketnummer ten bedrage van € 750,00;
loonderving ten bedrage € 111,08;
extra kosten rijexamen ten bedrage € 33,00;
reissom ten aanzien van een reis door de moeder van appellant ten bedrage van € 121,50;
loonderving door [naam], reisgenoot van de moeder van appellant voor het opnemen van een vrije dag ten bedrage van € 54,55
kosten gemaakt in verband met rechtsbijstand ten behoeve van onderhavige verzoekschriftprocedure in eerste aanleg ten bedrage van 550,00;
kosten gemaakt in verband met rechtsbijstand ten behoeve van onderhavige verzoekschriftprocedure in hoger beroep ten bedrage van € 280,00.

3.Beoordeling

Het hoger beroep is tijdig ingesteld.
De advocaat-generaal heeft geadviseerd het appel af te wijzen.
- ten aanzien van het onder a tot en met e verzochte –
Het hof stelt ten aanzien van het billijkheidsoordeel als bedoeld in artikel 534 Wetboek Pro van Strafvordering (verder: Sv) het volgende voorop, met inachtneming van HR 25 september 2020, ECLI:NL:HR:2020:1526 (voor zover voor de onderhavige procedure relevant), HR 19 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX5566 en Hof Amsterdam 24 november 2017, ECLI:NL:GHAMS:2017:4880.
De artikelen 530 en 533 Sv voorzien kort samengevat in vergoeding van de kosten van rechtsbijstand en van de schade als gevolg van uitgezeten voorarrest indien een zaak eindigt zonder oplegging van straf, zoals in het geval van een vrijspraak of wanneer een strafzaak is geseponeerd of een beklag ex artikel 12 Sv Pro ongegrond is verklaard. Toekenning van een vergoeding heeft ingevolge artikel 534 Sv Pro steeds plaats indien en voor zover daartoe, alle omstandigheden in aanmerking genomen, gronden van billijkheid aanwezig zijn. Dat betekent enerzijds dat in geval van schade of gemaakte kosten als uitgangspunt vergoeding plaatsvindt, maar anderzijds dat het de rechter vrij staat op gronden van billijkheid vergoeding achterwege te laten of slechts gedeeltelijk toe te kennen. Omstandigheden die aanleiding kunnen geven een vergoeding niet of slechts deels toe te kennen, zijn intussen niet op voorhand te bepalen. Bestendige rechtspraak wijst in dat verband uit dat in de aard of het verloop alsmede in de uitkomst van een strafzaak grond kan worden gezien te oordelen dat het niet billijk is een (gehele) vergoeding toe te kennen. Zo kan de schadevergoedingsrechter (hierna: de raadkamer) rekening houden met de mate waarin de verzoeker zijn voorarrest - hetzelfde geldt voor de noodzakelijke kosten van rechtsbijstand - aan zijn eigen (proces)houding of gedrag te wijten heeft. Daarbij valt bij wijze van voorbeeld te denken aan de wijze waarop en de omstandigheden waaronder de verzoeker in zijn zaak heeft verklaard of juist gebruik heeft gemaakt van het zwijgrecht, of aan het geval waarin de verzoeker de opsporing bewust heeft bemoeilijkt. Ook kan de raadkamer rekening houden met de aard en de motivering van de beslissing waarmee de strafzaak is geëindigd, als daarin redenen zijn gelegen een (volledige) vergoeding niet billijk te achten.
Deze oordeelsvrijheid wordt slechts begrensd door de onschuldpresumptie zoals neergelegd in artikel 6, tweede lid, van het EVRM. Die verlangt dat de gronden voor een vrijspraak niet in twijfel worden getrokken en dat de raadkamer zich onthoudt van een zelfstandig oordeel dat zich niet met de vrijspraak verhoudt. Dit betekent dat de raadkamer in de motivering van haar oordeel niet zelfstandig suggesties tot uitdrukking mag brengen dat de verzoeker wel degelijk schuldig is. Het staat de raadkamer wel vrij in de beslissing mede (onderdelen van) de motivering van de vrijspraak te betrekken, zolang die beslissing daarmee niet alsnog een vaststelling van schuld behelst. Indien een zaak niet is geëindigd in een vrijspraak, maar bijvoorbeeld met een sepot of door een beslissing als bedoeld in artikel 348 Sv Pro, is het tot uitdrukking brengen van vermoedens van schuld in beginsel niet strijdig met de onschuldpresumptie en staat het de raadkamer tevens vrij te verwijzen naar een motivering van de beslissing in de strafzaak, telkens zolang het oordeel van de raadkamer niet alsnog in essentie een vaststelling van schuld behelst. Het hof merkt in dit verband op dat niet als maatstaf kan dienen of een vervolging ‘(hoogst)waarschijnlijk of onmiskenbaar tot een veroordeling zou hebben geleid’ en evenmin de maatstaf dat op een vervolging ‘niet onmiskenbaar een vrijspraak zou zijn gevolgd’. Dergelijke motiveringen komen immers neer op een inhoudelijk en integraal oordeel over de strafzaak, waarvoor in de verzoekschriftprocedure geen plaats is.
Het komt bij het billijkheidsoordeel aldus in overwegende mate aan op een waardering van de omstandigheden van het specifieke geval. Het is aan de raadkamer om het oordeel daaromtrent inzichtelijk te motiveren.
Het hof is van oordeel dat geen gronden van billijkheid aanwezig zijn voor toekenning van enige vergoeding. Appellant heeft zelf in een telefoongesprek aan een derde gezegd dat hij het feit – de beroving op straat van een bij een geldautomaat pinnende onschuldige burger, die daarbij door messteken om het leven is gebracht - had gepleegd. Het betreft een zeer ernstig feit en appellant gaf in het telefoongesprek ook informatie die zijn verklaring staafde, geloofwaardig maakte en de politie terecht aanleiding gaf om verzoeker als verdachte aan te houden. Onder die omstandigheden is het hof van oordeel dat appellant het ontstaan en korte tijd voortduren van zijn inverzekeringstelling en daarmee ook de overige, mede door anderen geleden schade geheel aan zich zelf te wijten heeft.
- ten aanzien van het onder f en g verzochte –
Gronden van billijkheid zijn aanwezig voor toekenning van een vergoeding van € 830,00.

4.Beslissing

Het hof:
Vernietigt de beschikking waarvan beroep en doet opnieuw recht.
Kent op de voet van artikel 530 Sv Pro aan appellant een vergoeding toe van € 830,00 (achthonderddertig euro).
Wijst het meer of anders verzochte af.
Beveelt de onverwijlde betekening van deze beschikking aan appellant.
Deze beschikking is gegeven door de meervoudige raadkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mrs. D. Radder, C.J. van der Wilt en M. van der Horst, in tegenwoordigheid van mr. P.M. Groenenberg als griffier, is ondertekend door de voorzitter en de griffier en is uitgesproken op de openbare zitting van dit hof van 10 augustus 2021.
De voorzitter beveelt:
de tenuitvoerlegging van deze beschikking door overmaking van € 830,00 (achthonderddertig euro) op bankrekeningnummer [rekeningnummer] t.n.v. [tnv] o.v.v. [ovv].
Amsterdam, 10 augustus 2021,
mr. D. Radder, voorzitter.