ECLI:NL:GHAMS:2021:253

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
28 januari 2021
Publicatiedatum
2 februari 2021
Zaaknummer
23-000636-20
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 Wegenverkeerswet 1994Art. 8 lid 2 onderdeel a Wegenverkeerswet 1994Art. 8 lid 5 Wegenverkeerswet 1994Art. 14a Wetboek van StrafrechtArt. 14b Wetboek van Strafrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep rijden onder invloed van alcohol en cocaïne met geldboete en rijontzegging

De verdachte werd in eerste aanleg veroordeeld voor het besturen van een snorfiets onder invloed van alcohol en cocaïne op 27 januari 2019 te Amsterdam. Tegen dit vonnis stelde hij hoger beroep in. Het hof vernietigde het eerdere vonnis en deed opnieuw recht. Het bewezenverklaarde betreft het rijden met een alcoholgehalte van 480 microgram per liter uitgeademde lucht en een bloedconcentratie van 61 microgram cocaïne per liter.

Het hof achtte de verdachte wettig en overtuigend schuldig aan beide feiten en verwierp de overige tenlasteleggingen. Er waren geen omstandigheden die de strafbaarheid uitsloten. De verdachte had eerder een onherroepelijke veroordeling voor rijden onder invloed, wat meewoog in de strafoplegging.

De opgelegde straf bestaat uit een geldboete van €350, een voorwaardelijke taakstraf van 40 uur met een proeftijd van twee jaar, en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor vier maanden wegens alcohol en drie maanden wegens cocaïnegebruik. Het hof vond de straffen passend en zag geen reden af te wijken van de straffen van de politierechter. Een voorwaardelijke rijontzegging werd afgewezen ondanks het beroep op persoonlijke omstandigheden.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot geldboete van €350, voorwaardelijke taakstraf van 40 uur en rijontzegging van zeven maanden.

Uitspraak

afdeling strafrecht
parketnummer: 23-000636-20
datum uitspraak: 28 januari 2021
TEGENSPRAAK
Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het
vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 25 oktober 2019 in de strafzaak
onder parketnummer 96-187867-19 tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1976,
adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van
14 januari 2021.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte
en de raadsman naar voren hebben gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
1.
hij, op of omstreeks 27 januari 2019, te Amsterdam, als bestuurder van een motorrijtuig (snorfiets), dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte in zijn adem bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, 480 microgram, in elk geval hoger dan 220 microgram, alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn;
2.
hij, op of omstreeks 27 januari 2019, te Amsterdam, een voertuig, te weten een snorfiets, heeft bestuurd, na gebruik van een in artikel 2, van het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer, aangewezen stof als bedoeld in artikel 8, eerste lid van de Wegenverkeerswet 1994, te weten cocaïne, terwijl ingevolge een onderzoek in de zin van artikel 8 van Pro de WVW94, het gehalte in zijn bloed van de bij die stof vermelde meetbare stof 61 microgram cocaïne per liter bloed bedroeg, zijnde hoger dan de in artikel 3 van Pro het genoemd Besluit, bij die stof vermelde grenswaarde.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat daarvan slechts aantekening is gedaan ingevolge artikel 378a van het Wetboek van Strafvordering.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
1.
hij op 27 januari 2019 te Amsterdam, als bestuurder van een motorrijtuig (snorfiets), dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte in zijn adem bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994,
480 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn;
2.
hij op 27 januari 2019 te Amsterdam, een voertuig, te weten een snorfiets, heeft bestuurd, na gebruik van een in artikel 2, van het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer, aangewezen stof als bedoeld in artikel 8, eerste lid van de Wegenverkeerswet 1994, te weten cocaïne, terwijl ingevolge een onderzoek in de zin van artikel 8 van Pro de WVW94, het gehalte in zijn bloed van de bij die stof vermelde meetbare stof 61 microgram cocaïne per liter bloed bedroeg.
Hetgeen onder 1 en 2 meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het onder 1 bewezenverklaarde levert op:
overtreding van artikel 8, tweede lid, onderdeel a van de Wegenverkeerswet 1994
(480 microgram).
Het onder 2 bewezenverklaarde levert op:
overtreding van artikel 8, vijfde lid, van de Wegenverkeerswet 1994.

Strafbaarheid van de verdachte

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien
van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straffen

De politierechter heeft de verdachte veroordeeld tot een geldboete van € 350,00 subsidiair zeven dagen hechtenis, een voorwaardelijke taakstraf voor de duur van 40 uren subsidiair 20 dagen hechtenis met een proeftijd van twee jaren en een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van zeven maanden.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straffen
als door de politierechter in eerste aanleg opgelegd.
De verdediging heeft verzocht bij de strafoplegging rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en met het feit dat sinds de pleegdatum van de feiten bijna twee jaren zijn verstreken. Voorts heeft de verdediging het hof verzocht de ontzegging van de rijbevoegdheid – indien het hof besluit deze bijkomende straf aan de verdachte op te leggen – in voorwaardelijke vorm
op te leggen, omdat de verdachte zijn rijbewijs nodig heeft voor zijn werk in ploegendienst.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het besturen van een snorfiets op de openbare weg terwijl hij onder invloed was van alcohol en van cocaïne. Door aldus te handelen heeft hij de veiligheid in het verkeer in gevaar gebracht en zich onttrokken aan de verantwoordelijkheid die van een deelnemer aan het verkeer wordt vereist. Het hof neemt de verdachte dit kwalijk.
Uit een uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 4 januari 2021 blijkt dat de verdachte eerder wegens het rijden onder invloed onherroepelijk is veroordeeld. Hieruit heeft hij kennelijk onvoldoende lering getrokken.
Het hof heeft gelet op de straffen die in soortgelijke gevallen plegen te worden opgelegd. De straffen die de politierechter heeft uitgesproken lopen daarmee in de pas.
Gelet op de hiervoor omschreven ernst van het feit, de inhoud van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep ziet het hof geen aanleiding andere straffen op te leggen dan door de politierechter in eerste aanleg zijn opgelegd en zoals door de advocaat-generaal zijn geëist.
Het hof ziet in de geringe afstand woon-werkverkeer geen reden een voorwaardelijke rijontzegging
op te leggen zoals door de raadsman bepleit.
Het hof acht, alles afwegende, een geldboete, een voorwaardelijke taakstraf en een ontzegging van de rijbevoegdheid van na te melden hoogte, dan wel duur passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 23, 24, 24c, 57 en 63
van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 8, 176 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.
Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 1 en 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
geldboetevan
€ 350,00 (driehonderdvijftig euro), bij gebreke
van betaling en verhaal te vervangen door
7 (zeven) dagen hechtenis.
Veroordeelt de verdachte tot een
taakstrafvoor de duur van
40 (veertig) uren, indien niet naar
behoren verricht te vervangen door
20 (twintig) dagen hechtenis.
Bepaalt dat de taakstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter anders mocht gelasten
omdat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd van
2 (twee) jarenaan een strafbaar feit
heeft schuldig gemaakt.
Ontzegt de verdachte ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde de
bevoegdheid motorrijtuigen
te besturenvoor de duur van
4 (vier) maanden.
Ontzegt de verdachte ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde de
bevoegdheid motorrijtuigen
te besturenvoor de duur van
3 (drie) maanden.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin
zitting hadden mr. S. Clement, mr. V. Mul en mr. J.H.C. van Ginhoven, in tegenwoordigheid
van mr. D. Damman, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof
van 28 januari 2021.
=========================================================================
[…]