Partijen zijn in 1994 gehuwd en hebben twee minderjarige kinderen onder voogdij die zij gezamenlijk uitoefenden. Na het overlijden van de ouders van de kinderen woonden zij bij de vrouw. De rechtbank had de man ontzet uit de voogdij en de voogdij aan de vrouw toegekend, met een uitvoerbaar bij voorraadverklaring.
De vrouw ging in hoger beroep tegen de ontzetting van de man, stellende dat de rechtbank onvoldoende belangenafweging had gemaakt en dat de wettelijke voorwaarden voor ontslag uit de voogdij niet waren vervuld. De man betoogde dat het contact met de kinderen verbroken was en dat voortzetting van de gezamenlijke voogdij niet mogelijk was. De Raad voor de Kinderbescherming ondersteunde de beëindiging van de gezamenlijke voogdij.
Het hof oordeelde dat hoewel de wettelijke gronden voor ontzetting uit de voogdij niet waren vervuld, de gezamenlijke voogdij op verzoek van een van de voogden kon worden beëindigd. Gezien het ontbreken van communicatie en de feitelijke situatie sinds 2018, was voortzetting van de gezamenlijke voogdij niet in het belang van de kinderen. Het hof vernietigde de beschikking van de rechtbank voor zover deze de voogdij betrof, beëindigde de gezamenlijke voogdij en kende het gezag toe aan de vrouw. De uitvoerbaar bij voorraadverklaring werd vernietigd en de kosten werden gecompenseerd.