Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Het verloop van het geding in eerste aanleg
2.Het geding in hoger beroep
3.De feiten
- [kind 1] , geboren [in] 2010;
Gerechtshof Amsterdam
In deze civielrechtelijke familierechtelijke procedure staat de vraag centraal of de ouders gezamenlijk het gezag over hun drie minderjarige kinderen dienen te voeren en waar de hoofdverblijfplaats van de kinderen moet worden vastgesteld.
De moeder is in hoger beroep gekomen tegen het besluit dat de ouders gezamenlijk het gezag uitoefenen en dat de hoofdverblijfplaats bij de vader is. De moeder betoogt dat vanwege slechte communicatie en onverwerkte emoties de beslissing over het gezag en de hoofdverblijfplaats moet worden aangehouden, in afwachting van het traject Ouderschap Blijft en haar verkrijging van een andere woning.
Het hof overweegt dat gezamenlijk gezag het uitgangspunt is en dat de ouders, ondanks hun moeizame verstandhouding, in staat worden geacht om op termijn gezamenlijk beslissingen te nemen zonder dat de kinderen klem raken. De hoofdverblijfplaats wordt bij de vader vastgesteld omdat de kinderen daar kunnen worden ingeschreven en stabiliteit en continuïteit wordt geboden. De moeder woont in een chalet waar de kinderen niet kunnen worden ingeschreven en heeft nog geen alternatieve woonruimte.
De kosten van de procedure worden ieder voor eigen rekening gelaten. Het hoger beroep wordt verder afgewezen en de bestreden uitspraak bekrachtigd.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het gezamenlijk gezag en bepaalt de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de vader.